Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 27 tweede lid der wet op de Jacht en Visschery.

Op heden, den (datum, jaar met tijdsbepaling), bevond ik (naam, qualiteit en woonplaats) mij in open jachttijd in het veld, binnen de gemeente , en werd door mij gezien en waargenomen,

dat zich aldaar buiten openbare wegen en voetpaden op een, bij den landbouwer L . . . L . . . , wonende te . . . in eigen gebruik zijnd perceel bouwland, bevond R . . . R . . geboren te ... , den 18 . , van beroep . . . ,

wonende te ... , die wild, nl. een doode haas, vervoerde.

Ik hield dezen persoon staande en hij verklaarde mij toen desgevraagd jachtacte noch machtiging, krachtens artikel 27 der wet van 13 Juni 1857 (Stbl. 87) afgegeven door het hoofd van het gemeentebestuur, waar genoemde vervoerder woont, te kunnen vertoonen, daar hij die bescheiden volgens zijn zeggen niet bezat.

Waarna ik het door hem vervoerde doode wild heb in beslag genomen, om dat uit te leveren aan den Heer Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten te ...

Ik heb hiervan op afgelegden ambtseed dit proces-verbaal opgemaakt.

• • • . den .... 19 . .

(Handteekening)

Sluiten