Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ningen van het land waar zij zich bevinden, naleven en hunne identiteit en nationaliteit voldoende staven.

Onder wetten en verordeningen worden verstaan de algemeen geldende voorschriften in ieder land uitgevaardigd door eenig met wetgevende macht bekleed gezag. De Commissie is het daarover eens, dat niet op zich zelf staande overtredingen van dergelijke voorschriften het recht tot vestiging of verblijf zonder meer kunnen doen verliezen, maar slechts zoodanige handelingen, die blijkbaar gepleegd zijn met het oogmerk om de openbare orde van het land te schenden.

De legitimatie-papieren zijn in het verdrag zelf niet volledig vermeld ten einde de contracteerende Partijen in dit opzicht niet voor goed te binden. Als voldoende zullen in ieder geval worden aangemerkt geldige buitenlandsche paspoorten. Voor het overige wordt eene overeenstemming tusschen beide Partijen, en wel op de eenvoudige wijze van eene uitwisseling van nota's, voorbehouden. Van Duitsche zijde zijn als verdere legitimatie-papieren de „Heimatscheine", van Nederlandsche zijde de bewijzen van Nederlanderschap in aanmerking gebracht. Aangezien door de bewijzen van Nederlanderschap slechts geconstateerd wordt, dat degene te wiens name die stukken zijn afgegeven, naar het gevoelen der autoriteit, die deze afgeeft, op dat oogenblik Nederlander is, zoo zou later in geval van twijfel een visum van den Commissaris der Koningin gevraagd kunnen worden om aan te toonen, dat de Nederlandsche nationaliteit nog bestaat. Van Duitsche zijde werd derhalve voorgesteld, dat deze bewijzen weder, zooals vroeger geschiedde, met een bepaalden geldigheidsduur afgegeven zouden worden, en wel in 't algemeen wellicht voor 5 jaren, in elk bijzonder geval echter ten hoogste voor een tijdvak waarbinnen de betrokken persoon, bij voortgezet verblijf in lief buitenland, de hoedanigheid van Nederlander niet ingevolge artikel 7, 5°. der wet van 12 December 1892 (Staatsblad No. 268) op liet. Nederlanderschap, zal verliezen; verder werd van Duitsche zijde de wensch geuit, dat de gemelde bewijzen, voor zoover die in Duitschland moeten dienen, alleen door de Commissarissen der Koningin, maar niet door de lagere autoriteiten zouden worden afgegeven, evenals in Duitschland de ..Heimatscheine" door de lioogere administratieve autoriteit afgegeven worden.

De Commissie was het er over eens, dat het doelmatig zou zijn, dat de legitimatiepapieren werden voorzien van de handteekening van den houder, ten einde aan die papieren eene grootere waarde met oog op het bewijs van identiteit te verleenen. Het toelaten van de overige in aanmerking gebrachte legitimatiepapieren, in het bijzonder van militaire papieren of van het Nederlandsch binnenlandsch paspoort, werd niet voor doenlijk gehouden.

De uitzonderingen van het in artikel 1 bij verdrag vastgelegd recht van vestiging zijn in de artikelen 2 en 3 begrepen.

Sluiten