Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden ontzegd, zelfs wanneer zij hunne nationaliteit hadden veranderd niet om aan hunne militaire plichten te ontkomen, maar met het oog op familie- of economische omstandigheden. Wat de Nederlanders aangaat op wie in Nederland geene militaire verplichtingen rusten, liebben de nieuwe bepalingen der Militiewet 1901 tengevolge, dat de redenen vervallen, die tot dusver aan de Duitsche autoriteiten aanleiding gaven eene geheele categorie van Nederlanders uit te zetten; de tengevolge van deze wet gewijzigde praktijk is echter nog niet bevredigend, daar met name zij die onder de vroegere wet vielen, nl. de vóór het jaar 1883 geboren Nederlanders, voor zoover zij in het buitenland wonen, ook thans aan geene militaire verplichtingen onderworpen worden en dus aan de bedoelde dwangmaatregelen blootgesteld blijven. Indertijd is de vraag onderzocht of aan de wet terugwerkende kracht kon worden gegeven, maar deze vraag bleek ontkennend te moeten worden beantwoord. Overigens geldt het hier een groep van personen wier aantal jaarlijks vermindert en die mettertijd geheel verdwijnen zal. In elk geval zou voor de Nederlandsche Regeering geheel onaannemelijk zijn eene verdragsbepaling ingevolge welke aan Nederlanders die nog onder de oude militiewet vielen, het door het verdrag gewaarborgd recht op vestiging en verblijf in Duitschland onthouden zou worden.

Van Duitsche zijde werd er op gewezen, dat de Nederlanders, van welke hier sprake is, nog heden verreweg het grootste deel uitmaken van de in Duitschland wonende Nederlandsche bevolking. Dat om de vermelde gronden op de mogelijkheid deze lieden uit te zetten, prijs werd gesteld.

Ten slotte is de Commissie het omtrent de redactie van artikel 3 eens geworden. Wat betreft het eerste lid is van Duitsche zijde uitdrukkelijk verklaard, dat volgens deze bepaling ook die personen aan uitzetting bloot staan, die vóór het bereiken van den dienstplichtigen leeftijd met hunne ouders of anderen die gezag over hen uitoefenen, of op aandrang van dezen hun vaderland hebben verlaten en derhalve in den regel zelf niet. de bedoeling hebben gehad zich aan hunne militaire plichten te onttrekken. In beginsel zal daarom aan alle personen, die hunne nationaliteit vóór de vervulling hunner militaire verplichtingen verloren hebben, de vestiging en het verblijï door de bevoegde autoriteiten ontzegd kunnen worden, tenzij bij het onderzoek van ieder geval bepaalde feiten er op wijzen dat de verandering van nationaliteit te goeder trouw en niet. ter ontduiking der militaire verplichtingen plaats gehad heeft. Als een dezer feiten die voor uitzetting behoeden zullen, Is met name aan te merken de omstandigheid, dat de vroegere onderdaan bij het bereiken van den dienstplichtigen leeftijd of indien hij later het land verlaten heeft, op dat tijdstip wegens lichaamsgebreken of onvoldoende verstandelijke ontwikkeling voortdurend voor den dienst ongeschikt was. In het tweede lid is er van Duitsche zijde in toegestemd, het recht van uitzetting te beperken tot die personen die in hun vaderland in gebreke zijn gebleven hunne militaire verplichtingen te vervullen.

" Daarbij is echter als van zelf sprekend aangenomen, dat perso-

Sluiten