Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beraadslaging in de Tweede Kamer

op 16 November 1905.

De heer van Bij landt: Mijnheer de Voorzitter! Twee jaar geleden heb ik mij de vrijheid veroorloofd, bij de behandeling der begrooting van Buitenlandsche Zaken, aan de toenmalige Regeering de wenschelijkheid in overweging te geven om, ten einde aan veel hatelijk geschrijf en aan uitgebreide correspondentie zooveel mogelijk een einde te maken, te trachten een verdrag te sluiten om vestiging over en weer van de wederzijdsche onderdanen eenigermate te verzekeren en ook de quaestie van uitzetting aan vaste regelen te binden.

Dat verdrag is spoedig tot stand gekomen, maar, helaas, door allerlei omstandigheden, laat hier aan de orde gesteld

Nu dat verdrag tot stand gekomen is, houde de Kamer het mij ten goede, dat ik hetzelve eenigermate welwillender en goedgunstiger beschouw dan sommigen, die het aan een nog al scherpe critiek hebben onderworpen. Die critiek laat ik ter beantwoording over aan de Regeering, er zijn op dit oogenblik niet minder ilan drie Ministers die het verdrag te verdedigen hebben. Mijn doel is meer een woord te zeggen ten gunste van het verdrag en om te doen uitkomen, dat wij hier ook wel degelijk concessies van de andere zijde hebben verkregen, die werkelijk niet zoo gering zijn.

Het is, dunkt mij, van belang, dat men zooveel mogelijk tracht te regelen en vast te stellen het verkeer en de veiligheid van Nederlanders, die in een vreemd land wonen, en waar er tusschen Nederland en Duitschland zulk een druk verkeer bestaat en in den laatsten tijd over en weer zich zoovele onderdanen gevestigd hebben, geloof ik. dat het van belang is, dat al het mogelijke gedaan worde, teneinde de zekerheid van de personen, wanneer zij zich in Duitschland vestigen, worde gewaarborgd.

Nu heeft men in het Voorloopig Verslag allereerst hierop gewezen. dat er tengevolge van liet verdrag meer moeilijkheid zou komen in de vestiging of het verkeer wederzijds, en heeft men het willen doen voorkomen alsof men nu van reispassen moest voordien zijn wanneer men de grens overging. Reeds in de Memorie van Antwoord is dat uitdrukkelijk weerlegd, en ik ben overtuigd, dat niemand, na het tot stand komen van het verdrag, er aan zal denken, wanneer hij naar Duitschland gaat. een reispas mede te nemen. Daarvan staat niets in het verdrag, maar er staat wel in, en <lat is noodzakelijk en bestaat ook thans, dat men legitimatiepapieren noodig heeft, wanneer men zich elders blijvend vestigt

Omtrent die legitimatiepapieren wensch ik een enkel woord te zeggen.

Sluiten