Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 2 worden opgenoemd. Wanneer dit verdrag in werking komt. meen ik dus, dat dezelfde toestand, waarin wij op dit oogenblik te dezer zake verkeeren, zal gehandhaafd blijven, en te meer geloof ik dat, wanneer ik let op de redenen, welke de Duitsche commissarissen bewogen hebben om afstand te doen van hun wensch om onder de motieven in art. 2 ook te noemen „polizeiliche Gründe", Uitdrukkelijk is in de uiteenzetting van de commissie gezegd, dat men dit heeft nagelaten van Duitsche zijde, omdat men inzag, dat in art. 2 reeds alle mogelijke gevallen worden opgenoemd. Nu doet de Memorie van Antwoord — weer geheel in overeenstemming met hetgeen ik daaromtrent opmerkte — eene poging om ons wijs te maken, dat er buiten en behalve alle mogelijke gevallen, toch nog eenige gevallen mogelijk zijn!

Indien men in de Memorie van Antwoord eenvoudig ruiterlijk had gezegd, dat de commissie zich had vergist in de aanduiding van de redenen, die de Duitsche commissarissen hadden bewogen om af te zien van hun wensch, en dat men aan het Departement verzuimd had om dat te rectificeeren, dan had men dit antwoord zonder meer kunnen accepteeren; maar zulk gepraat als de Memorie van Antwoord op dit punt bevat, is weerzinwekkend.

Er is duidelijk uiteengezet, dat de Duitschers er in hebben toegestemd om ..polizeiliche Gründe" niet te noemen, omdat zij inzagen, dat in de schier onbeperkte omschrijving van art. 2 reeds alle mogelijke gevallen begrepen waren.

Daarvan wensch ik den Duitschers volstrekt geen verwijt te maken; mijn bezwaar in de afdeelingen was dan ook niet zoozeer gericht tegen de opneming van al deze motieven (al vond ik ze wel te vaag omschreven) dan wel hierin, dat men daarbij geen waarborgen had gegeven voor een billijke uitvoering.

Daarmede bedoelde ik evenwel niet een billijke interpretatie van de verschillende gronden — want dit te waarborgen schijnt onmogelijk — maar ik bedoelde bijv. de bepaling, dat, wanneer iemand eenigen tijd in Duitschland was gevestigd, hij niet dadelijk op bevel zou kunnen worden uitgezet, maar dat hij eerst een waarschuwing zou ontvangen en dat er een termijn zou verloopen tusschen de waarschuwing en de uitvoering van het bevel, opdat de betrokken persoon gelegenheid zou hebben de tusschenkomst van den consul of gezant in te roepen.

Zulke waarborgen hadden opgenomen moeten worden. Misschien waren er nog betere te vinden geweest; in elk geval had ik gewenscht in de omschrijving van het werk der commissie te vinden, dat de Nederlandsche commissarissen bij de bespreking van dat artikel een poging in dien zin hadden gewaagd; ik vind echter thans geen schijn of schaduw van zulk een pogen.

Ik kan ook niet medegaan met de opvatting van den heer van Bijlanut, dat de quaestie van het „toelaten en overnemen" op bevredigende wijze geregeld is.

Het Nederlandsch standpunt in deze is steeds geweest, dat men een onderscheid moest maken tusschen het overnemen en toelaten van personen die over de grenzen worden gezet.

Bij deze quaestie zijn 4 oategoriën van personen in het oog te

Sluiten