Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beraadslaging in de Eerste Kamer

op 11 Januari 190(>.

De heer Kist: Mijnheer de Voorzitter! Dit verdrag draagt den naam van vestigingsverdrag, maar liet regelt meer dan zijn naam aanduidt. Het regelt niet alleen het recht van den Nederlander om zich te vestigen in Duitschland, maar het regelt ook het recht van Nederland om uit te leiden, te verwijderen, uit te zetten, de vreemdelingen, de Duitschers die hier zijn en die niet zijn gewenscht.

In zoover dit verdrag beantwoordt aan zijn naam als vestigingsverdrag, geloof ik, dat het inderdaad ook voor Nederlanders voordeelen aanbiedt, en in de eerste plaats art. 1, dat erkent het vestigingsrecht van Nederlanders in Duitschland zoolang zij de wetten en verordeningen naleven, en hoewel ik nu als leek in de diplomatie zou hebben gedacht, dat het eigenlijk vanzelf spreekt, dat in den tegenwoordigen tijd, bij de tegenwoordige begrippen van solidariteit en van gastvrijheid, een beschaafde natie de rustige ingezetenen van andere landen aanneemt en zelfs gaarne aanneemt, geef ik toch toe, dat het een zekerheid, een gerustheid geeft, dat het recht der Nederlanders om zich in Duitschland te vestigen, uitdrukkelijk met zoovele woorden in het tractaat is vastgelegd. Ik vind het echter jammer, dat ook omtrent dit punt, zooals naar ik meen in het verdrag meer het geval is, èn de tekst, én, nog meer, in verband daarmede, de toelichting van de gemengde commissie aanleiding geven tot eenige onzekerheid, tot verschil van meening. Terwijl toch de tekst van het verdrag zegt, dat de Nederlanders vestigingsrecht zullen hebben, zoolang zij ,,die dartigen Gesetze und Polizeiverordnungen" naleven, staat er mijns inziens in de toelichting der gemengde commissie iets anders. Ik lees daarin: ,,De commissie is het daarover eens, dat niet op zich zelf staande overtredingen van dergelijke voorschriften het recht tot vestiging of verblijf zonder meer kunnen doen verliezen, maar slechts zoodanige handelingen, die blijkbaar gepleegd zijn met het oogmerk om de openbare orde van het land te schenden.''

Uit deze woorden zou ik opmaken, dat wij hier meer te doen hadden met een afwijking van het verdrag dan met een toelichting daarop.

Verder wensch ik er op te wijzen, dat de woorden „openbare orde" hier een zeer ruime strekking hebben, want vorgens ons recht heeft men vergrijpen tegen de openbare orde, welke misdrijven opleveren, die met zeer zware straffen worden gestraft en daarnevens dergelijke vergrijpen, opleverende overtredingen

Sluiten