Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel kan vereenigen. De Regeeringen willen zich ten aanzien van de legitimatie-papieren voor de toekomst eenige ruimte voorbehouden, wat ik kan billijken, maar mij stond alleen niet aan, dat uit de toelichting der Commissie bleek, dat de wederzijdsche Partijen omtrent dit punt het niet eens waren en er zelfs aangaande de legitimatie-papieren een principieel verschil scheen te bestaan.

De Minister meende, dat het zich „beroemen" op het niet verplicht zijn tof militairen dienst door een Nederlander, een moeilijkheid opleverde voor de Duitsche Regeering, maar geeft men daardoor dan toch niet een zeer wijde strekking aan de algemeene gronden voor uitzetting van art. 2, bepaaldelijk aan het niet voldoen aan de innerlijke of uiterlijke zekerheid van den Staat? Mag men niet roemen op de voordeelen van zijn vaderland? Neemt men dit beginsel aan, dan staan vele Nederlanders in Duitschland bloot aan dezelfde maatregelen.

In ons land kennen wij alleen de uitleiding wegens het niet hebben van middelen van bestaan, terwijl uitzetting van Regeeringswege wegens gevaar voor de openbare orde, bedoeld in ;<rt. 12 der Vreemdelingenwet, al zeer weinig is toegepast; althans ik kan mij daarvan geen geval herinneren. Dit vind ik een ongelijkheid die zich zal voordoen.

Intusschen is de Minister het op het punt van de uitzetting over het algemeen met mij eens. Hij ziet de bezwaren, door mij genoemd, ook in, maar hij acht het in 's lands belang 'het tractaat aan te nemen, omdat Duitschland dit nu eenmaal zoo verlangt, omdat, bij niet aanneming van het tractaat, het ons door nog strengere bewaking der grenzen zeer moeilijk zou worden gemaakt.

Wanneer de Hegeering op dien grond verklaart dat dit tractaat is in 's lands belang, zou ik geen vrijheid vinden er tegen 1e stemmen. Ik constateer nog, dat het tractaat volgens de Memorie van Toelichting wat de uitleicTing betreft, alleen betrekking heeft op cfwa/jffuitzetting en dat het vrije vertrek naar het buitenland open blijft. Ik hoop dat dit surrogaat van de uitleiding goede diensten zal bewijzen.

De heer van Tets van Goudrjaan, Minister van Buitenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb nog even het woord gevraagd, om den geachten afgevaardigde mijn dank te betuigen voor de hoogst welwillende repliek die ik van hem mocht ontvangen, en tevens om terug te komen op een punt dat door hem was behandeld, doch door mij over het hoofd werd gezien, namelijk het gevaar voor de mogelijkheid van vermomde uitlevering. Ik geloof dat daarvoor onder de werking der onderwerpelijke verdragsbepalingen niet meer gevaar zal bestaan dan onder het voormalige stelsel van uitleiding.

Wanneer het niet bekend was dat een persoon door de politie gezocht werd, was zijn uitleiding naar de grens geen vermomde uitlevering, omdat de wil om de wetsvoorschriften op de uitlevering te ontduiken onder die omstandigheden bij de Overheid niet voorhanden kon zijn. Evenzoo zal ook nu geen vermomde uitle-

Sluiten