Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. ZAAK. WAARDEVERMEERDERINGEN EN WAARDEVERMINDERINGEN.

§ 1. Leent A ƒ1000 van B, dan wordt die som, zij het dan ook tijdelijk, zijn eigendom; daarentegen ontstaat er voor A een schuld aan B. Terwijl zijn bezittingen dus eenerzijds met ƒ1000 vermeerderen, heeft er, door't ontstaan der schuld, tevens een waardevermindering plaats.

Bezit C ƒ30000 en koopt hij daarvoor een huis, manufacturen enz., om handel te drijven, dan zegt men, dat hij een zaak begint en daarin ƒ30000 gestoken heeft. Men zegt ook, dat hij op de zaak een vordering heeft van ƒ30000, en omgekeerd, dat de zaak aan hem een schuld heeft van dat bedrag.

Vermeerdert C zijn handelskapitaal met nog ƒ4000, dan zegt men, dat de waarde der zaak met ƒ4000 vermeerdert; tevens ontstaat er voor de zaak een waardevermindering van ƒ4000, nl. een nieuwe schuld van dat bedrag aan den eigenaar C.

Koopt C voor ƒ5000 manufacturen, die dadelijk betaald worden, dan heeft er ook voor de zaak zoowel een waardevermeerdering als een (evengroote) waardevermindering plaats: er komen manufacturen in de zaak en er gaat geld uit de kas.

Uit het voorgaande blijkt, dat er bij het begin der zaak een evengroote bezitting als schuld is, - een bezitting in den vorm van goederen, geld enz., een schuld aan den eigenaar der zaak of aan hem, van wien 't geld geleend is; verder, dat er bij een waardevermeerdering een evengroote waardevermindering plaats heeft, en omgekeerd.

Wij zullen bij 't volgende zien, dat er met elke w.vermeerdering een evengroote w.vermindering plaats heeft.

Wij verstaan in 't vervolg onder zaak een geheel van bezittingen en schulden, zoodanig, dat de som der bezittingen gelijk is aan die der schulden.

§ 2. Voorbeelden van waardevermeerderingen en waardeverminderingen.

Onderstellen we, dat A een zaak begint met ƒ 10000 en achter-

DE groot, Dubbel-boekhouden, 3de druk. 1

Sluiten