Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervoer van dien tijd voldoende. Eerst in 1898, toen bij de aansluiting van den Semarang-Cheribon Stoomtramweg — weldra gevolgd door aansluiting aan den tramweg Goendih-Soerabaja —, op welke lijnen de normale S.S -koppeling werd gebruikt, het verschil in koppeling eene belemmering werd voor den wagenovergang en ook bij den dienst op de met vrij sterke hellingen aangelegde lijn Rembang-Tjepoe de oude tramwegkoppeling niet meer voldeed, is men tot het geleidelijk aanbrengen der normale spoorwegkoppeling aan locomotieven en wagens overgegaan.

Voor den dienst op de vlaktelijnen is tot dusverre geene aanleiding gevonden een ander locomotieftype aan te nemen, dan waarmede de dienst oorspronkelijk is aangevangen. Van dit type zijn thans 57 locomotieven in gebruik.

De hellingen, voorkomende in de lijn Rembang-Blora-Tjepoe, eischten echter een zwaarder type van locomotief. Na bestudeering van verschillende typen werden in 1898 acht drieassige locomotieven met een dienstgewicht van 19.5 ton besteld, waarvan Bijlage L, Fig. 2 een afbeelding geeft. Dit aantal is thans tot twaalf vermeerderd.

De rijtuigen waren van een eenvoudig tramwegmodel (Bijlage N, Fig. 1). Behoudens kleine verbeteringen heeft dit type tot het jaar 1898 geene verandering ondergaan.

De goederenwagens waren oorspronkelijk bestemd voor een draagvermogen van 5 ton, doch nog vóór dit materieel in dienst was gesteld schrijft de Directeur: „Verder is bij mij de vraag gerezen of, met het oog op de vrij zware assen en „wielen, zonder noemenswaardig meerdere kosten het draagvermogen der goederenwagens, aanvankelijk op 5 ton bepaald, niet b.v. op 6 ton zou kunnen worden „verhoogd".

Daar dit geen bezwaar bleek op te leveren, wérd 6 ton als normaal draagvermogen der wagens aangenomen.

Men was er tijdig op bedacht, dat de wagens werkelijk een lading van dit gewicht moesten kunnen bevatten; de Directeur droeg daarom een jaar vóór de opening der geheele lijn aan den Chef van den Aanleg op aan de suikerfabrieken een schets der wagens te zenden, opdat men de afmetingen der suikerkrandjangs dienovereenkomstig zou kunnen wijzigen; de toen gebruikelijke afmetingen der krandjangs, zijnde 0.75 M. middellijn bij 1.10 M. lengte met een gewicht van 47» pikol, waren daartoe te vervangen door de te Soerabaja gebruikelijke van 0.60 M. middellijn met een gewicht van 4 pikol, bij welke afmeting 24 krandjangs in een wagen geladen konden worden.

Spoedig bleek de wenschelijkheid het laadvermogen der wagens opnieuw te vergrooten. Reeds in den loop van 1885 werden wagens met een draagvermogen van 8 ton in dienst gesteld, terwijl in de toekomst het streven zal moeten zijn om in navolging van den Staatsspoorweg dit draagvermogen tot 10 ton te verhoogen.

Bijlage O, Fig. 1—4 en Bijlage P, Fig. 1—3, geven eenige typen van wagens, waaronder opmerking verdienen de ketelwagens, die sedert 1895 voor het vervoer van petroleum en ruwe aardolie worden gebruikt en waarvan er thans niet minder dan 35 in dienst zijn.

Sluiten