Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BESLISSING VAN DEN RAAD VAN EEK

omtrent de gegrondheid van de beschuldiginger en aantijgingen door den heer S. F. van Oss te 's-Gravenhage bij open brieven in de Nieuwe Financier en Kapitalist van 12 Maart, 16 Maart, 28 Maart, 9 April, 25 April en 28 Mei 1913 ingebracht tegen den heer E. Deen te 's-G-ravenhage.

De Raad van eer heeft op 15 October 1913 de regelen vastgesteld met inachtneming waarvan het onderzoek naar de gegrondheid van opgemelde beschuldigingen en aantijgingen zoude plaats hebben.

In voldoening aan die regelen zijn bij den Raad ingediend: door den heer van Oss op 18 November 1913 eene memorie van bezwaren en op 3 Maart 1914 eene memorie van repliek ;

door den heer Deen op 5 Januari 1914 eene memorie van antwoord en op 2 April 1914 eene memorie van dupliek.

Bij deze memoriën zijn een groot aantal bewijsstukken in afdruk aan den Raad medegedeeld.

Op 13 Juni, 4 Juli, 24 October, 2 November, 10 November, 21 November 1914 en 10 Februari 1915 heeft de Raad voor zich doen verschijnen den heer van Oss, bijgestaan door zijn gemachtigde Mr. Dr. J. H. W. q. ter Spill en den heer Deen, bijgestaan door zijn gemachtigde Mr. J. Limburg.

In die bijeenkomsten is de inhoud van de brieven, memoriën en medegedeelde bewijsstukken toegelicht door de heeren van Oss en Deen en hunne gemachtigden, die tot staving van hunne beweringen nog een aantal stukken hebben overgelegd, en zijn aan die heeren en hunne gemachtigden de vragen gesteld, welke de Raad noodig oordeelde.

De nadere memoriën, welke na verkregen verlof van •den Raad, zijn ingediend door den heer van Oss op 27 Juni en 13 October 1914 en door den heer Deen op 6 Augustus 1914 zijn op dezelfde wijze behandeld.

Onderscheidene personen, te dien einde door de heeren van Oss en Deen medegebracht of door den Raad daartoe uitgenoodigd, zijn door den Raad gehoord.

Sluiten