Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat een gelijksoortige brief op 19 Juli 1901 was gezonden aan alle deelnemers in het syndicaat-Directie Koelit. En die brief van 19 Juli 1901 ging uit van de Directie.

c. De gedaagden hebben voorts onder hunne papieren gevonden een brief van de firma Wed. Gebbert Rebel van 18 Juli 1901, luidende aldus:

Heeren Directeuren van de Naamlooze Vennootschap „Koelit",

Alhier.

Mijne Heeren,

Door dezen hebben wij de eer U mede te deelen, dat zeer tot ons leedwezen, de op 15 dezer gehouden uitgifte van ƒ750.000,— 5 pCt. Obligatiën ten laste uwer Maatschappij niet is geslaagd.

Naar aanleiding daarvan zijn wij voornemens aan onze mede-emittenten de Heeren Milders & Gleichman te Rotterdam en de Heeren Oppenheim & van Till te 's Gravenhage voor te stellen, binnen eenige weken tot ontbinding van het syndicaat over te gaan.

Ook derden schreven derhalve aan de Directeuren.

d. Brief 24 Juli 1901 aan den heer Moltzer (prod. VII van partij.)

Voor dit schrijven geldt het onder b aangeteekende. Ook de heer Moltzer had obligatiën genomen.

e. Veertien gelijkluidende brieven op 25 Juli 1901 door de Directie geschreven aan even zoovele personen, onder wie ook Berkelbach van der Sprenkel en Oostermeijer. De tekst is in de conclusie van dupliek opgenomen. Om zijn groot belang, worde hij hier herhaald.

Amsterdam, 25 Juli 1901.

Mijnheer,

Onder referte aan ons schrijven van 17 dezer deelen wij U mede, dat wij thans van den leider van het syndicaat onzer obligatiën, het volgende rondschrijven ontvingen:

„Hiermede berichten wij U", enz.

In verband met deze opgave der genoemde emissiehuizen verzoeken wij U, onze Vennootschap uiterlijk 1 Augustus a. s. het bedrag Uwer deelname, volgens onderstaande specificatie, te doen toekomen, waartegen wij U dan de obligatiën zullen ter hand stellen. ')

Inmiddels teekenen,

Hoogachtend,

Dit schrijven bevestigt in alle opzichten de lezing der. gedaagden. Het is gericht tot hen die van de Directie obligatiën genomen hadden. Het spreekt tot de geadresseerden als schuldenaren van Koelit, niet van de particulieren Brummer. Onder de geadresseerden zijn ook Berkelbach v. d. Sprenkel en Oostermeijer. Daaruit volgt dat dezen reeds van den aanvang af debiteuren van Koelit en niet van de gedaagden in privé waren. Het ontneemt de laatste mogelijkheid van slagen aan de gissing, alsof zij obligatiën van de particulieren Brummer zouden genomen en zich later tegenover Koelit verbonden hebben. Van die theorie blijft niets over. Dat de brief voorzien was van den stempel der maatschappij, kan niet betwijfeld worden. De brief der Directie van 30 Juli 1901 (tekst opgenomen in de conclusie van dupliek) aan de heeren Bloemendaal en Laan, stemt hiermede geheel overeen. Tenzij men zou willen aannemen dat de gedaagden — die immers zoo .geslepen" zijn — in 1901 door de Directie van Koelit,

l) De cursiveering is van den steller dezer nota.

Sluiten