Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dupliek, bedoelde schrijven van 11 September 1901, waarin de Directie mededeelde ,dat verreweg het grootste deel van onze participanten de obligatiën als belegging aanwendt."

i. Brief van 23 September 1901 aan de firma Wed. Gerb. Rebel (prod. X van partij).

Met een sneer en een uitroepteeken levert men nog geen betoog.

De eischer jubelt en roemt: want deze brief moet, volgens hem, voor de gedaagden verpletterend zijn. Zij willen dezen brief ook op Koelit doen slaan? „Er zal heel wat juridisch vernuft toe noodig zijn om dat aannemelijk te maken!"

De eischer vergaapt zich aan den schijn. Hij voert nu eenmaal de bewering die aan zijn actie ten grondslag ligt en neemt zelfs de moeite niet om te overwegen of een andere lezing recht van bestaan heeft.

En toch is de zaak zoo eenvoudig mogelijk, als men de positie slechts reconstrueert. Als men zich de praktijk van het dagelijksch leven voor den geest roept.

De brief is in den meervoudsvorm gesteld en alleen door Albert Brummer onderteekend. Zonder twijfel met stempel. Uit het feit dat hij in het kopieboek der Directie voorkomt, mag men afleiden dat de Directie aan het woord is. De inhoud van den brief is daarmede in overeenstemming. Men ontlede slechts. De brief zegt dit:

a. De onderteekenaar staat in deze zaak op een ander standpunt dan de schrijfster (firma de Wed. Gerb. Rebel) en de Haagsche firma. Want, zoo luidt het verder,

b. persoonlijk hebben wij er weinig belang bij tot welken koers de obligatiën verhandeld worden.

Deze beide uitingen zijn teekenend. De firma Oppenheim & van Till en haar participante, de firma Wed. Gerb. Rebel, hadden de obligatiën voor eigen rekening genomen, d. w. z. wat zij niet bij derden (clienteele, relatiën) konden plaatsen, moesten zij zelf betalen en voor zoover zij geplaatst hadden, was het haar toch onaangenaam, indien de koers van de stukken zakte: zoodanige daling beteekende verlies voor degenen die obligatiën genomen hadden en werkte ontstemmend tegen de firma's die hen tot deelneming bewogen hadden. Die firma's hadden dus in elk geval niet onaanzienlijk belang bij den koers. Zoodanig belang bestond natuurlijk voor de Directie van Koelit niet. Maar evenmin voor de particulieren Brummer. Daarom wordt terecht geschreven: „persoonlijk hebben wij er weinig belang bij".

c. Wij hebben reeds zooveel voor onze rekening moeten nemen, ja,

d. de overneming der laatste 50 stuks (ƒ50.000) geschiedde uit noodzaak, om de leening te doen slagen, en,

e. de hoeveelheid onzer obligatiën wenschen wij niet te vermeerderen enz.

Nu legge men hiernaast de reeds besproken notulen van de commissarissenvergadering van 16 October 1901. Daarin wordt met even zoovele woorden gezegd dat de Directie ook de ƒ 50.000 nog genomen had, ten einde te trachten die te plaatsen voor Koelit. Met die 50 stuks zou dus buiten allen twijfel zuiver makelaarswerk verricht worden, de Directie zou ook met die obligatiën voor haar patroon Koelit rondloopen. De bewuste uitingen in den brief van 23 September 1901 moeten dus wel op Koelit zien. En wat wenschen nu de Haagsche en de Amsterdamsche firma? Dit: dat de Directie zou mede doen aan het opkoopen van obligatiën ter beurze, ten einde den koers op te houden. En daarop wenschte zij, nog al begrijpelijk, niet in te gaan. Koelit was met

Sluiten