Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veldwachter, die het proces-verbaal heeft opgemaakt, voor een leugenaar en meineedige uit te maken.

De feiten waren de volgende:

Op 12 Januari 1904, 's avonds te 6 ure, zijn drie personen, n.1. Adrianus de Heer, Cornelis Breedveld en Jan de Jaegere, aan het jagen met een z.g. lichtbak. Hierbij worden ze op heeterdaad betrapt door den veldwachter A. Bouterse (in gezelschap van Aart Roodnat, geen politieman), die de Heer (met zijn geweer) en Breedveld aanhoudt, terwijl de Jaegere zich met den lichtbak uit de voeten weet te maken.

Van dit voorval wordt nu door Bouterse een proces-verbaal opgemaakt, waarin voorkomt: „alwaar wij gezien en waargenomen hebben, dat, in gesloten jachttijd en bij nacht althans meer „dan een uur na zonsondergang, Adrianus de Heer, geb. enz...... zich bevond in een jagende

„houding met een tweeloops achterlaad geladen geweer". En dan verder: „Bovengenoemde „Adrianus de Heer was in gezelschap van nog twee andere personen, waarvan een den lichtbak

„droeg, een hunner was genaamd Cornelis Breedveld, geb. enz , terwijl de andere persoon

„vermoedelijk zeker genaamd is Jan de Jaegere, geb. enz "

De verdediging van de Heer voor het kantongerecht te Sliedrecht, opgedragen aan van Elk, bestaat nu uit een aanval op het proces-verbaal van Bouterse. Dit deugt zoo weinig, dat volgens van Elk's oordeel Bouterse zich door dit proces-verbaal op de zitting onder eede te bevestigen aan meineed heeft schuldig gemaakt.

Bouterse toch beschrijft dingen als gezien, die hij onmogelijk gezien kan hebben. Van Elk toch beweert, dat het niet mogelijk is, iemand achter een lichtbak „in jagende houding" te zien loopen. Hij tracht niet te betoogen, dat de jager niet achter den lichtbak heeft geloopen, doch wel dat dit niet in „jagende houding" kan zijn geweest, en verder dat Bouterse dat niet gezien kan hebben.

Deze redeneering is bijzonder leerrijk voor de psychologie van van Elk. In geen enkele andere zaak komt zijn gebrekkige redeneering, zijn muurvaste overtuiging, zijn raisonneeren, zijn totaal gebrek aan rechtsgevoel, zijn verblindheid, waardoor hij elk feit, dat niet met zijn vooropgezette opinie overeenstemt, over het hoofd ziet, en alleen nog denkt aan zijn doel, het vervolgen van zijn vijand, duidelijker uit dan hier (deze zaak wordt beschreven in de brochure over de Papendrechtsche strafzaak p. 24 — 26 en nog uitvoeriger in een schrijven aan den Rechter-Commissaris, zich bevindende onder No. 1206 in pakket III van diens dossier).

In het allergunstigste geval kan van Elk daarin gelijk hebben, dat in het proces-verbaal van Bouterse niet volkomen scherp gescheiden wordt datgene, wat Bouterse heeft gezien, toen hij voor het eerst een of meer der stroopers op eenigen afstand waarnam, en datgene wat hij een oogenblik later heeft gezien en op andere wijze waargenomen, toen hij twee van de drie aanhield. Dit zou dus zijn een psychologische onvolkomenheid in de beschrijving, zooals ieder zelfs zeer beschaafd en ontwikkeld mensch dagelijks begaat, wanneer hij niet zuiver wetenschappelijke waarnemingen weergeeft.

Maar merkwaardig is nu de sprong van deze misschien aanwezige wetenschappelijke onvolkomenheid in Bouterse's beschrijving der feiten en de bewering, dat Bouterse zich aan meineed schuldig maakt. Voor ieder onbevangen mensch is bij de studie van deze geheele zaak volkomen duidelijk dat Bouterse geen andere zaken heeft meegedeeld, dan zich inderdaad hadden afgespeeld, en toch bestrijdt van Elk niet alleen de goede trouw van den veldwachter in deze zaak, maar hij is zelfs overtuigd, dat door zijn bestrijding Bouterse weet, dat hij, zooals hij, van Elk, het uitdrukt, „in de fuik loopt" en beschrijft zelfs de physische verschijnselen van die emotie en is even zeker, dat ook anderen door zijn betoog tot zijn meening bekeerd zijn.

Zoo schrijft hij op pag. 4 van den brief aan Mr. Wiarda (No. 120&, pakket IH) omtrent de houding van Bouterse: „De anders zóó brutale kerel geraakte dan ook nadat ik hem had „laten preciceeren op welke wijze hij zijne waarnemingen had gedaan, zóózeer van streek dat „hij stond te beven als een riet en nauwlijks meer spreken kon. Met horten en stooten kwam „er nog wat nonsens uit".

En op pag. 7 schrijft hij: „ Dit het bovenstaande blijkt dus onomstootehjk, dat zoowel j,de kantonrechter als de ambtenaar niet het minste geloof meer konden hechten aan de fraaie „verklaringen van Bouterse (n.m. dat hij den bekl. had gezien in jagende houding met het „„geweer in de handen!"), maar zich, ten einde raad, maar gingen beroepen op de opgaven van „den beklaagde zelf!" (*)

(*■) We zien hier weer een fraai voorbeeld, hoe onder invloed van een overwaardig idee (het denkbeeld van eigen grootheid, belangrijkheid, invloed) de reproducties van eenvoudige waarnemingen worden vervalscht.

Sluiten