Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer we van een der door le Grand zelf gegeven verklaringen consequent willen doorredeneeren, zouden we dus het alternatief hebben:

a. öf een gebrek aan belangstelling in de zaak, die in zijn omstandigheden als de uiting van een belangrijk intellectueel en moreel defect zou moeten worden opgevat;

b. öf het van het begin af opzettelijk voor zich houden van een hem bekend feit, waarvan hij de waarde wel begreep, en het, toen hij eenmaal als getuige werd gehoord, zoowel in het verhoor door van de Pol, als ook op de zitting te Arnhem, ja weer tijdens het door ons op zeer gemoedelijke wijze gedaan onderzoek, zooveel mogelijk volhouden van zijn eerste houding, wat dan een belangrijke mate van moreele onbetrouwbaarheid zou representeeren.

Tegen de eerste onderstelling zou weer kunnen worden aangevoerd le Grand's eigen verklaring, voorkomende in het verslag van zijn tweede verhoor door van de Pol: „Ik heb „daarna zooveel van die verwonding in de dagbladen gelezen, dat ik me misschien daardoor „heb verbeeld, bloed in het aangezicht van Garsthagen te hebben gezien, en ik U dit, toen U „mij de laatste keer sprak, als werkelijk'-waargenomen meedeelde". Hier wordt dus gezegd, dat hij .-.zooveel" in de dagbladen heeft gelezen.

Maar hieruit willen we ook weer niét afleiden, dat le Grand wel belangstelling voor de zaak heeft gehad en dat hij dus opzettelijk heeft achterhouden, wat hem bekend was.

Waar hij met zich zelf in tegenspraak komt, kan hij achtereenvolgens twee tegenstrijdige meeningen op twee verschillende momenten met evenveel geloof aan de juistheid hebben verkondigd; ieder dier twee kan juist, maar ook kunnen beide onjuist zijn.

Het voortdurend met zich zelf in tegenspraak zijn, kan moeilijk worden beschouwd als het gevolg van consequent bewust onwaarheid spreken, want zelfs al was hier en daar een bewuste onwaarheid, dan zou uit het zich herhaaldelijk tegenspreken nog bovendien moeten volgen een zich ondoordacht uiten, het praten zonder veel nadenken, dus hoogstens het opzettelijk onwaarheid spreken van iemand, die de kluts geheel kwijt is en zich nu op een kinderlijke manier er uit tracht te redden.

Nog een derde voorbeeld moge geciteerd worden van' het onlogische, het inconsequente van zijn verklaringen.

Hij vertelde ons n.1. dat hij bij het gaan naar Arnhem nog niet de bedoeling had, de volle waarheid te zeggen, want dat hij eerst na dien tijd had begrepen, dat het een zaak van gewicht was, dat het er op aankwam. Hieï? hebben we vrij zeker met een verlegenheidsleugentje te doen. Immers, was het waar, wat hij zegt, dan zou men er verbaasd over moeten staan, dat deze jonge man, na tweemaal door van de Pol te zijn gehoord, na zich genoodzaakt te hebben gezien, in zijn tweede verhoor een deel der in het eerste verhoor gedane verklaringen te herroepen, na aan den Burgemeester van Papendrecht te hebben bemerkt, dat dezen de mededeeling omtrent het bloed onaangenaam zijn zou, nog niet de conclusie voortdurend voor zich heeft, dat het een zaak van gewicht voor hem is, de volle waarheid te spreken.

Is het niet waar, dan is weer even vreemd, dat hij ons zoo iets vertelt, dat toch in zich sluit een gebrek aan waarheidsliefde, een" gebrek aan ethisch gevoel, dat ieder gaarne zal bedekken, zoo het bestaat, maar weinigen gaarne zullen voorwenden.

Hier dus weer een dergelijk alternatief als reeds vroeger ter sprake kwam, een intellectueel of een moreel defect; en dat voorwenden van gebrek aan waarheidsliefde is weer alleen denkbaar, wanneer hij de eenvoudigste consequenties niet trekt van wat hij zegt; zoo kan hier, hetzij direct of indirect stellig een zeer eigenaardige langzaamheid van denken, een beperktheid van voorstellingen worden vastgesteld.

Als samenvatting van het bovengezegde komen we tot de conclusie, dat getuige le Grand verschijnselen vertoont van een belangrijken graad van nervositeit, en dat hij speciaal op psychisch gebied moet gerekend worden tot 4ie klasse van personen, die door de beperktheid van den op een oogenblik aanwezigen bewustzijnsinhoud niet in staat zijn een zaak in eens te overzien, doch steeds slechts een klein onderdeel daarvan tegelijk voor zich hebben. Daaruit resulteert dan een van oogenblik tot oogenblik wisselende bewustzijnsinhoud, een zeker gebrek aan continuïteit van bepaalde voorstellingsgroepen, waardoor vooral het oordeel over iets, waartoe altijd een samenvatting van veel tegelijk noodig is, schade lijdt. Op die wijze ziet men bij dergelijke personen een onvastheid van opvatting, een op verschillende oogenblikken verschillende appreciatie dezelfde zaak voor den dag komen, al naar ze nu eens deze dan weer die zijde der zaak in het oog vatten, of al naar nu eens deze dan die zijde der zaak door anderen voor hen wordt uiteengezet.

Deze zelfde afwijking, die op het gebied van het handelen gewoonlijk zoo onmiddellijk

Sluiten