Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dergelijke strubbelingen tusschen twee verschillende autoriteiten in een gemeente, en vooral in een kleine gemeente, zijn op zich zelf iets zeer gewoons. Vandaar dat ook voor dit geval er geen aanleiding bestaat te gaan onderzoeken, wie der twee de oorzaak dier moeilijkheden was. Die oorzaak zal ten slotte wel gelegen zijn in een menschelijke zwakheid, we kunnen het noemen ijdelheid of iets dergelijks, die vermoedelijk bij beide personen in mindere of meerdere mate haar invloed deed gelden.

Maar genoeg: die gevoeligheid tusschen de burgerlijke en de kerkeüjke autoriteit bestond, en wel in die mate, dat Ds. Hoekstra terecht of ten onrechte meende, dat de burgemeester hem op allerlei wijze tegenwerkte. En waar nu die koele, gespannen of vijandige verhouding algemeen bekend was, hadden zich de verschillende andere ingezetenen van Papendrecht om de beide genoemde autoriteiten heen gesplitst in twee groepen, twee stroomingen, die, toen de beschuldiging van den burgemeester door Garsthagen plaats had, als a priori waren aangewezen, om tegenover • die beschuldiging een geheel verschillend standpunt in te nemen, de een, overtuigd van het goede beleid van den burgemeester in het algemeen, natuurlijk ook in dit opzicht daarin geloovend, de ander, overtuigd van bet goede recht van Ds. Hoekstra en dus van ongeschikt optreden van den burgemeester, even natuurlijk dadelijk bereid het slechtste van hem te denken.

Eén oogenblik scheen het, alsof een andere overweging er toe brengen zou omtrent den burgemeester en de politie gunstiger verklaringen af te leggen, dan met het innerlijk gevoel overeenkwam. Op initiatief van Ds. Hoekstra werd een conferentie bijeengeroepen, in hoofdzaak door leden der familie Visser bezocht, waarop werd afgesproken, zonder aan de waarheid te kort te doen, zooveel mogelijk ten gunste van burgemeester en politie te verklaren. Dit geschiedde omdat men vreesde, dat zoo de i burgemeester wegging, door het toenmalig überale ministerie, een liberaal opvolger zou worden benoemd. En tegenover dezen algemeenen vijand liet men zijn persoonlijke gevoeligheid vareo.

Deze daad, een onderling overeenkomen van verschillende personen, allen notabelen, menschen van een zekere opvoeding en beschaving, en aan het hoofd een predikant, om op bepaalde wijze te verklaren, zoo zij in deze zaak werden gehoord, is in psychologisch opzicht zeer merkwaardig.

Hierdoor wordt getoond, in welk een mate in Papendrecht reeds te voren bestaande verhoudingen invloed hadden op de wijze, waarop een bepaalde mededeeling werd geapprecieerd, geloofd of afgewezen.

Het is duidelijk dat wel verre van een zuiver objectieve beoordeeling naar de waarde der meegedeelde feiten, hier in belangrijke mate een algemeen oordeel over den persoon, om wien het gaat, mede zijn invloed doet gelden en niet alleen het algemeene oordeel over een persoon, maar zelfs nog veel verder afliggende overwegingen — politieke opportuniteitsgronden — gaan meespreken in de vraag, hoe over den burgemeester zal worden gesproken, in welke woorden men zijn goed- of afkeuring zal inkleeden.

Het bestaan dezer twee stroomingen in Papendrecht is zeker een der hoofdredenen, waarom van uit de gemeente zelf met zooveel kracht verschillende opvattingen tot uiting kwamen, en mag wel voor een groot deel ook als de oorzaak gelden, dat het aantal getuigen van uit Papendrecht zelf bereid, om over burgemeester en politie een oordeel uit te spreken, langzamerhand zoo groot is geworden.

De hier besproken omstandigheid, het aanwezig zijn van twee stroomingen in de gemeente, mag van belang zijn voor den inhoud van enkele getuigenissen, psychologisch heeft ze lang niet die waarde, die de invloed van van Elk had, hoogstens ondersteunde ze dien invloed door den strijd te verscherpen, door aan de strijdende personen nog eenige toe te voegen.

Zonder den invloed van van Elk, zonder het door hem gezaaide wantrouwen tegen de personen van het gezag in het algemeen, zou het geloof aan het ruw optreden der poütie, de overtuiging, dat deze mishandelingen pleegde als dageüjksch werk, vermoedelijk niet door Ds. Hoekstra en zijn aanhangers zijn geaccepteerd, doch nadat nu eenmaal van dien kant die meening met zooveel kracht gepropageerd was, vond deze bij Ds. Hoekstra c. s. een zeer bereidwüüg gehoor, en werd secundair door deze personen die meening verder verkondigd, ja uitgewerkt zelfs, wat zijn scherpste uitdrukking vond in de poging van Ds. Hoekstra, om door zijn herhaalde vertrouwelijke gesprekken met den veldwachter Radema nieuw materiaal bijeen te brengen tegen de poütie en den burgemeester.

De vraag kan hier nu nog worden gesteld, in hoeverre in Papendrecht sprake is geweest van een zekere organisatie, om de politie en met haar den burgemeester te treffen, in hoeverre al die personen, die als aanklagers optraden, beschouwd' kunnen worden een partij te hebben

Sluiten