Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu had ik de mededeeling gaarne aangevuld gezien met dit bericht, dat de centrale commissie voor de beroepsbelangen onzen afdeelingsraad geadviseerd had den gemeenteraad te vragen, op welke gronden hij den betrokken collega in overweging had gegeven zijn ontslag te nemen en dat de gemeenteraad daarop geantwoord heeft met algemeene stemmen, geloof ik, of althans met weinig stemmen tegen, dat dat onzen afdeelingsraad absoluut niets aanging. Ik vind het goed dat dergelijke opmerkingen, die ter kennis van de centrale commissie gekomen zijn, hier ook in dit verslag worden gememoreerd. In de laatste plaats, mijnheer de voorzitter, zou ik even de voldoening van de afdeeling Meppel en O. willen uitdrukken over den veranderden toestand, die in de commissie van beheer van het Ned. tijdschrift voor geneeskunde, blijkens deze mededeeling, is ingetreden voor onze centrale commissie voor de beroepsbelangen en den wensch willen uitspreken dat de toekomst niet verre meer zal wezen dat onze maatschappij, die meer en meer den weg van een vakvereeniging opgaat, geheel te zeggen heeft over het maatschappelijk gedeelte van het tijdschrift.

De voorzitter van de centrale commissie voor de beroepsbelangen, de heer A. J. A. Thomas:

Mijnheer de voorzitter! Ik wil gaarne op enkele punten antwoorden. In de eerste plaats de kwestie van het adverteeren. Dat is een buitengewoon moeilijke materie; een materie, waarvan wij steeds onze gedachten vol hebben. Wij hebben dit gemeend. Wanneer er werkelijk in een afdeeling collegae zijn, die al te veel adverteeren, dan moet men in de eerste plaats bij den afdeelingsraad zijn. Die afdeelingsraad moet er nauwkeurig het oog op houden en niet de centrale commissie voor de beroepsbelangen. In de tweede plaats hebben wi) gemeend dat de kwestie om, zonder bestraffing, den collega nog eens onder het oog te doen brengen hoe noodzakelijk het is zich er aan te houden niet te veel te adverteeren, ook besproken moest worden in het boekje, dat weldra verschijnen zal van de hand van de heeren VAN EYK en SCHREVE. Daar zal deze stof ook in besproken worden, zoodat de heeren het daar allen zullen lezen en er zich bewust van zullen worden dat zij niet te veel moeten adverteeren. In de tweede plaats zou ik even willen meedeelen, waarom wij die dorpsruzie, waar de heer LEYDESDORFF over gesproken heeft, niet uitvoerig hebben beschreven. Wij meenden n.1. dat het beter was dat niet al te uitvoerig te doen en hebben steeds gemeend dat het voldoende was, indien wij goed hadden gehandeld en de belangen der geneesheeren hadden behartigd, dat wij dan niet meer behoefden te publiceeren hoe flink wij dat gedaan hadden. Daarom lieten wij na er bij, te voegen: „Wij hebben dat in orde

Sluiten