Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de faculteiten iets te bereiken zal zijn. Ten slotte geloof ik niet dat de toestand van zes jaar geleden op het oogenblik veel veranderd is.

De afgevaardigde van de afdeeling Zuid-Limburg, de heer C. F. T. J. Meuleman;

Mijnheer de voorzitter! Ik zou over die kwestie ook iets willen zeggen. Het komt mij voor dat de klinische hoogleeraren op dit punt gelijk hebben. Ik kan mij levendig voorstellen dat, wanneer de theoretische vorming is afgeloopen en een korte tijd beschikbaar is om zich praktisch te oefenen, de klinische hoogleeraren er prijs op stellen zelf die praktische oefening van hun leerlingen te zien en dat zij het alles behalve aangenaam vinden dat de besten van hun studenten, zoo gauw zij het doctoraal of theoretisch examen hebben afgelegd, verdwijnen naar een ziekenhuis en verdere kennismaking alleen geschiedt aan de groene tafel.

De afgevaardigde van de afdeeling Meppel en O., de heer J. Leydesdorff:

Mijnheer de voorzitter! Na de woorden, zooeven door den heer MEULEMAN gesproken, geloof ik dat het toch wenschelijk is, dat de aandacht van de vergadering niet zoozeer valt op de geneigdheid van de hoogleeraren om hun leerlingen te behouden, als wel op het feit, hier gereleveerd, dat er gedurende heel langen tijd geen coassistentschappen beschikbaar zijn. Er zijn in de vergadering verschillende wegen aangegeven. U, mijnheer de voorzitter, heeft bijv. voorgesteld een motie aan te nemen. Daarmee bereikt men niet veel, evenmin als met het voorstel der commissie. Ik zou er de aandacht op willen vestigen dat niet de klinische hoogleeraren er tegen gekant zijn, want juist één van hen, de heer HIJMANS VAN DEN BERGH, die hier zoo welsprekend het woord heeft gevoerd, is in de gelegenheid geweest jonge menschen op te leiden in de richting, zooals wij dat zouden wenschen en zooals ik hoop dat in de toekomst meer zal kunnen geschieden. Ik zou een tusschenvoorstel willen doen, dat de heer SNOECK HENKEMANS misschien wel zal willen overnemen. Wanneer wij hier nl. het voorstel aannemen dat aan het hoofdbestuur wordt opgedragen zich te wenden tot de faculteiten om aandrang uit te oefenen op de klinische hoogleeraren, dan geloof ik dat wij met een praktisch resultaat uit deze vergadering komen. Misschien kan dit de kwestie oplossen,

De afgevaardigde van de afdeeling Frieslands Zuidwesthoek, de heer L. Hertzberger:

Mijnheer de voorzitter! Mag ik enkele nuchtere woorden laten hooren naar aanleiding van wat de heer SNOECK HENKEMANS heeft opgemerkt. Hij vertelt ons: „Als je je verzoek richt tot de klinische hoogleeraren, dan doen zij het niet.' Dat vind ik iets, dat niet be-

Sluiten