Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen is. Dat kunnen wij waarschijnlijk vinden, hoogstwaarschijnlijk misschien, maar bewezen is het niet. Wanneer wij nu hier [aannemen de conclusie van de commissie, dan wordt aan het hoofdbestuur het verzoek gericht zich te wenden tot de klinische hoogleeraren. Doen deze het niet, welnu dan komt de zaak over een jaar weer aan de orde en zullen wij er weer over te praten hebben wat ons te doen staat.

De afgevaardigde van de afdeeling 's-Gravenhage en O., de heer D. Snoeck Henkemans:

Mijnheer de voorzitter! Wat daar zoo even gezegd is door den heer HAMAKER spaart mij de onaangename moeite van mij zelf te verdedigen. Ik bepaal mij dan ook tot een woord van protest tegen het denkbeeld alsof ik zou gepoogd hebben de klinische hoogleeraren belachelijk te maken. Naar aanleiding van wat de laatste spreker zeide, wil ik even dit opmerken. Waarom heb ik dat gezegd? Omdat men komt bij die menschen, die vooraf verklaard hebben dat zij het niet noodig vinden. Als men iets gaat opdragen aan menschen, die het niet noodig vinden, is men aan een verkeerd adres. Overigens kan ik mij wel neerleggen bij de gedachte, dat de maatschappij aan het hoofdbestuur opdraagt zich tot de faculteiten te wenden, opdat door haar aandrang zal worden uitgeoefend op de klinische hoogleeraren om de wenschen der maatschappij ingang te doen vinden. Laten wij het daar dan maar eens voor een jaar mee doen.

De heer L. J. J. Muskens (Amsterdam):

Mijnheer de voorzitter! Het is misschien interessant te weten, hoe het in Engeland is met de coassistentschappen.

De voorzitter:

Ja, het is natuurlijk interessant, maar niet alles wat interessant is, behoeft hier gezegd te worden. (Gelach). Acht u die bespreking bepaald noodig?

De heer L. J. J. Muskens (Amsterdam):

Och, miinheer de voorzitter, ik wou alleen meedeelen, dat in Engeland het instituut der coassistentschappen buiten de academische ziekenhuizen algemeen erkend is en in alle door wetenschappelijke geneesheeren geleide ziekenhuizen en poliklinieken, het geheele jaar door, in praktijk wordt gebracht.

De heer J. de Hartogh (Amsterdam):

Mijnheer de voorzitter! Wanneer vaststaat in de eerste plaats, dat er plaatsen te kort zijn aan de verschillende academische ziekenhuizen en in de tweede plaats, dat er docenten zijn aan verschillende andere inrichtingen, die bereid en in staat zijn lessen te geven aan de jongelui, die daarvoor in aanmerking komen, en wanneer verder vastgesteld is dat er bezwaren bestaan bij de klinische hoogleeraren, is het dan zoo vreemd dat aan de regeering gevraagd wordt de

Sluiten