Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeene vergadering mocht worden aangenomen, bij referendum de stem van ieder lid gevraagd, nadat het lid van te voren kennis kan nemen van de discussies in de algemeene vergadering. Er heeft dus juist een ruime voorbereiding plaats, voordat een algemeen bindend besluit in deze kwestie al of niet wordt aangenomen.

De afgevaardigde van de afdeeling Arnhem en O., de heer E. J. Buning:

Mijnheer de voorzitter! Nu de andere heeren toch hun meening zeggen over de gewetensbezwaren, geloof ik dat ik het ook mag doen. Mijn gewetensbezwaar is juist tegen een voorstel, waardoor de maatschappij mij dwingt alleen verklaringen af te geven omtrent het begin en het einde van de ziekte. Wanneer men dan, zooals ik, overtuigd is dat de groote meerderheid der maatschappij-leden geen bezwaar heeft verdere verklaringen af te geven, dan vind ik dat het niet aangaat te zeggen: „Wij besluiten dit of dat". Ik wil u motiveeren, waarom ik er tegen ben. Ik vind het een belachelijk standpunt, waarop die menschen zich stellen, die nooit iets willen mededeelen, dat binnen het zoogenaamde beroepsgeheim ligt. Want wat zien wij in de praktijk ? In de gewone praktijk zien wij dat, wanneer iemand tuberculose heeft, of aan het hart of de nieren lijdende is, het eerste, water gebeurt, is, dat de diagnose wordt medegedeeld aan vader en moeder, ooms en tantes. Ieder weet het. De patiënt weet het dikwerf ook. In het dagelijksch leven zien wij dus dat die geheimhouding niet streng wordt doorgevoerd. Hoe kan men er dan toch zoo'n bezwaar tegen hebben aan die verzekeringsmaatschappijen, die toch in het algemeen belang werkzaam zijn en die de verklaringen toch op het bureau behouden, die verklaringen te weigeren! Daarom zou ik den leden van de maatschappij op het hart willen drukken: „laat ons vrij, zooals ook de commissie dat voorstelt en zendt de formulieren in".

De heer A. Keesing (Amsterdam):

De vorige spreker vergeet geheel, mijnheer de voorzitter, dat er een groot verschil is tusschen het mededeelen van de diagnose en de therapie aan familieleden of aan de directies van verzekeringsmaatschappijen. Dat ligt hierin, dat de laatste er financieel belang bij hebben en de familieleden niet. De geneesheeren mogen er niet toe meewerken dat anderen, die daar financieel belang bij hebben, door het mededeelen der diagnose van hun patiënten, voordeel trekken.

De heer H. J. Coert ('s-Gravenhage):

Wat hier voorgesteld wordt, is al eens aangenomen. Bij referendum is al eens uitgemaakt dat gegeven zouden worden verklaringen, dat iemand zoo en zoo lang onder behandeling is geweest Toen is in 1909 een motie van het hoofdbestuur aangenomen dat bij ongevallen de

Sluiten