Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

list zijn geld uitbetaald krijgt uit de kas van het ziekenfonds, dan kan zoo iemand geacht worden deelnemer aan dat ziekenfonds te zijn. Maar wanneer dat niet het geval is, wanneer de patiënt hem betaalt, zonder verplicht te zijn rekenschap te geven van wien hij den gulden krijgt, kan er m.i. geen sprake zijn van een deelnemerschap van den specialist aan dat ziekenfonds.

De plaatsvervangend-afgevaardigde van de afdeeling Amsterdam, de heer C. H. Gantvoort:

Mijnheer de voorzitter! Ik vind het standpunt van den heer RIBBIUS toch niet te verdedigen. Ik vind het volkomen in orde dat ook wij specialisten een bijdrage geven van wat wij uit de ziekenfondsen krijgen. Wanneer wij van A. Z. A. onze gelden krijgen, ontvangen de deelnemers aan dat ziekenfonds zooveel minder. Ik vind het zoo volkomen billijk, dat ook onzerzijds een bijdrage wordt gegeven in de algemeene kas, dat ik het andere standpunt niet kan goedkeuren. Wanneer er nu enkele ziekenfondspatiënten mogen komen, die uit eigen zak betalen wat anders het ziekenfonds betaalt, dan wordt het zoo moeilijk dat alles behoorlijk na te rekenen, het is eigenlijk zóó'n futiele kwestie, dat ik er sterk voor ben dat de specialisten het breede standpunt innemen en zeggen: Wij geven mede onze bijdrage van alles wat wij van ziekenfondspatiënten ontvangen op onze maandkaarten.

De secretaris-penningmeestej- van het bestuur der centrale organisatie, de heer A. C. van Bruggen:

Mijnheer de voorzitter! Ik zou den heer RIBBIUS even willen antwoorden dat in deze derde conclusie niet staat dat wij van meening zijn dat specialisten, die maandkaarten ontvangen, deelnemer zijn aan een ziekenfonds. Wij verlangen alléén dat die specialisten ook iets bijdragen aan de kas, omdat de centrale organisatie op den duur zeer zeker ook in het belang der specialisten zal arbeiden en zich voor hen uitgaven moet getroosten. Daarom hebben wij gezegd: „het inkomen, dat specialisten ontvangen aan maandkaarten, welke betaald worden door ziekenfondsen." Wij hebben de kwestie, of zij als deelnemer beschouwd moeten worden, buiten rekening gelaten, maar achten het alleen billijk dat zij ook van dat bedrag iets betalen.

De afgevaardigde van de afdeeling Enschede, Mej. M. C. Metman:

In onze afdeeling is door den oogarts deze speciale vraag gericht aan het bestuur der centrale organisatie en het antwoord was, dat hij deze inkomsten wél op moest geven en dus 2 pCt. moet betalen. De oogarts zei: „wanneer ik het wel opgeef en een andere specialist niet, vind ik dat zeer onbillijk." Dat vind ik óók onbillijk. Daarom

61

Sluiten