Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslissing, een beslissing over de kwaliteit van het feit en niet over het feit zelf. Wanneer wij hier dus aannemen het amendement van de afdeeling Rotterdam en O., dan zal de kwestie onmiddellijk geacht worden een tuchtkwestie te zijn, wat het in vele gevallen nog niet behoeft te zijn. Ik geloof dan ook dat zoowel het amendement van de afdeeling Rotterdam en O. als dat van de afdeeling s-Hertogenbosch en O. niet zal moeten aangenomen worden.

De afgevaardigde van de afdeeling 's-Gravenhage en O., de heer D. Snoeck Henkemans:

Ik heb tegen het amendement van de afdeeling Rotterdam en O.. een bezwaar, dat, geloof ik, het zelfde is als dat van den heer RIBBIUS, maar dat mij bij zijn bespreking niet zoo duidelijk is geworden als ik het in mijn hoofd heb. De afdeeling Rotterdam en O., is van meening, dat aan het hoofdbestuur opgedragen wordt rechtspraak uit te oefenen. Dat is de bedoeling niet. Er staat uitdrukkelijk dat, als de rechtspraak begint, de zaak moet verwezen worden naar den betrokken raad. De afdeeling Rotterdam en O., heeft gezegd dat het hoofdbestuur alléén het besturend en uitvoerend lichaam moet blijven. Maar men begrijpt blijkbaar de bedoeling niet. Aan het hoofdbestuur zal worden overgelaten de zaak aan te brengen bij den afdeelingsraad, wanneer het meent dat daartoe aanleiding bestaat. Dat mag ieder doen en het hoofdbestuur dus ook. Maar het doet zelf geen rechtspraak en beslist nog niets. Dat is echter geheel iets anders dan het amendement van de afdeeling 's-Hertogenboseh en O. Dat is een veel onschuldiger amendement, waarvan ik best kan begrijpen dat het hoofdbestuur het overneemt. Daar staat: „als het hoofdbestuur het noodig vindt".

De afgevaardigde van de afdeeling Rotterdam en O., de heer B, C. Van der Nagel;

Mijnheer de voorzitter! Hier staat toch, wanneer wij het lezen: „Bij weigering van voldoende inlichtingen, of indien blijkt, dat een lid een onjuiste opgaaf heeft gedaan aan het bestuur der centrale organisatie, brengt dit bestuur de zaak aan bij het hoofdbestuur". Dan volgt er „en dat het hoofdbestuur, na de beslissing, voor het toepassen van eventueele tuchtmaatregelen, de zaak verwijst naar den betrokken raad . Daar zit het 'm juist in! Wij Rotterdammers zeggen: het hoofdbestuur heeft een administratieve werkzaamheid en onze rechtsprekende colleges moeten rechtspreken. Nu moet niet eerst het hoofdbestuur gaan beslissen of de zaak bij een rechtscollege behoort. Stel u voor : het hoofdbestuur zegt: „Ik vind het zoo erg niet"; dan gaat het hoofdbestuur rechtspreken en dat willen wij niet hebben. De afdeelingsraad zou kunnen zeggen: „Ik vind het heel erg", terwijl toch het hoofdbestuur zou kunnen beslissen: „Ik zend het niet naar den afdeelingsraad".

Sluiten