Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te toonen, dat zij roemden zonder oorzaak, want er was niets prijzenswaardig in hen; zij waren in alle opzichten laag en slecht. Er wordt dan gezegd : Hoséa gina henen en nam zich Gomer, de dochter van Diblaim. Gomer beteeken t in het Hebreeuwsch ophouden, of eindigen, en soms beteekent het in bedrijvenden zin verteren; vandaar dat Gomer tering beteekent. Maar Diblaïm zijn massa's vijgen, of gedroogde vijgen tot ééne massa of klomp vereenigd. De Grieken noemen ze palathas. De cabalisten zeggen hier, dat de vrouw van Hoséa aldus genoemd werd, omdat zij, die zich veelvuldig aan wulpschheid overgeven, ten laatste de prooi worden van dood en bederf. Zoo is dan tering de dochter van (vleeschelijke) lusten Eenvoudiger echter is het te zeggen, dat deze voorstelling aan het volk gedaan was, dat de profeet hun in plaats van eene vrouw, tering liet zien, de dochter van vijgen; dat is, dat hij hun klompen vijgen voorlegde, of palathas, Gomer voorstellende, hetwelk tering beteekent, en dat hij daarbij de wijze van doen volgde van de wiskundigen, als zij hunne cijfers beschrijven : ,/Indien dit zoo veel is, dan is dat zooveel". Wij kunnen deze plaats dus zoo verstaan, dat de profeet hier bedorvene klompen vijgen noemde als zijne vrouw, zoodat zij tering, of verrotting was, voortgekomen uit vijgen, die tot zulk een' staat van verrotting waren overgegaan. Want ik blijf bij de meening, die ik gisteren heb uitgesproken, dat de profeet in geen bordeel was gegaan om zich eene vrouw te nemen, want dan zou hij bastaards hebben voortgebracht, maar geene wettige kinderen, want, gelijk gisteren gezegd was, het was dezelfde zaak voor de vrouw en de kinderen.

Wij verstaan dus, dat de ware beteekenis van dit vers is, dat de profeet geene ontuchtige vrouw gehuwd heeft, maar haar slechts voor de oogen des volks heeft voorgesteld, als bederf, voortgekomen uit verrotte klompen vijgen.

Nu volgt: de vrouw ontving, n.1. de zinnebeeldig voorgestelde vrouw. Zij ontving, zegt hij, en haarde een' zoon; en Jehovah zeide tot hem: Noem zijn' naam Jizreël. Velen volgen den Chaldeeuwschen paraphrast 1) en vertalen door ver¬

spreiding. Zij meenen ook, dat in dezen twijfelachtigen term eene zinspeling is opgesloten ; want daar zaad is, veronderstellen zij, dat de Profeet zijdelings het oog had op het ijdele roemen des volks; want zij noemden zich het verkoren zaad, omdat zij door den Heere geplant waren, vandaar de naam Jizreël. Maar, volgens deze uitleggers, stelt de profeet deze dwaasheid bloot aan verachting, alsof hij zeide: //Gij zijt Israël; maar in een ander opzicht zijt gij verspreiding-, want gelijk het zaad naar alle kanten wordt uitgestrooid, zoo zal de

1) Omschrijver of Kantteekenaar.

Sluiten