Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.

In dit vers toont de profeet dat de zaken hoe langer hoe slechter werden in het rijk van Israël, dat zij zondigden, zich niet houdende binnen de perken, maar roekeloos tot het uiterste der goddeloosheid gingen. Door hen Jizreëlieten te noemen, heeft hij ons reeds gezegd, dat zij van het begin af verworpen en ontaard waren ; alsof hij zeide : „Er is in uwen oorsprong niets loffelijks; gij waant u zeiven zeer voortreffelijk te zijn, omdat gij van den godvruchtigen Jakob afstamt, maar gij zijt onechte kinderen, uit eene hoere geboren : een bordeel is het huis van Abraham niet, en het huis van Abraham is geen bordeel. Zoo zijt gij dan het kroost der schande". Maar hij gaat nog verder, en zegt, dat zij met den voortgang der jaren in nog erger toestand vervielen ; want dit woord Lo-Ruchama is een nog onteerender naam dan Jizreël: en de Heere kondigt hier meer openlijk Zijne wrake aan, als Hij zegt:

lk zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels. Q|""n beteekent medelijden hebben, en ook liefhebben; maar die tweede beteekenis is afgeleid van de eerste; want ön~1 is niet eenvoudig liefhebben, maar het heeft ook de beteekenis van vrije gunst betoonen. Door de dochter dus Lo-Ruchama te noemen, geeft God te kennen, dat Zijne gunst thans aan het volk ontnomen was. Wij weten inderdaad, dat het volk vrijelijk was verkoren; want vraagt men naar de reden der aanneming, dan moet gezegd worden, dat het uit bloote goedheid en barmhartigheid Gods is geweest. Door nu het volk te verstooten, zegt God : „Gij zijt als eene dochter, die door haar vader verjaagd en verloochend wordt, omdat hij haar Zijne gunst onwaardig acht". Nu verstaan wij de bedoeling van den profeet; want nadat hij den Israelieten getoond had, dat zij van den beginne onecht, en niet de ware kinderen van Abraham zijn geweest, voegt hij er nu bij, dat zij in verloop van tijd zóó verdorven zijn geworden, dat God hen nu gansch en al verloochenen zal, en hen niet langer acht tot Zijn huis te behooren. Daarom verwijt hij hun iets, dat nog veel erger is dan te voren, door te zeggen : „Noem deze dochter Lo-Ruchama"; want zij was na Jizreël geboren. Hier beschrijft hij trapsgewijze den toestand van het volk, dat het voortdurend meer ontaardde. Wel waren zij reeds van den beginne verdorven, maar nu waren zij, na verloop van eenigen tijd, Gods gunst ten eenenmale onwaardig.

Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels, zegt Hij. God toont hier hoe voortdurend Hij geduld heeft

Sluiten