Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch nu kan men verder vragen : Wat is het getal der dagen, waarvan de profeet spreekt, want het bepaalde getal wordt hier niet opgegeven; en wij weten, dat de ballingschap deiJoden bepaald was op zeventig jaren ? (Jeremia 29 : 10.) Maar de profeet schijnt hier zijne voorzegging verder uittestrekken, namelijk tot op den tijd van Christus. Ik antwoord, dat hij eenvoudig verwijst naar de zeventig jaren, hoewel wij ons tevens moeten herinneren, dat zij, die niet uit de ballingschap wederkeerden, ondersteund werden door deze belofte, en gehoopt hebben op den beloofden Middelaar; maar de profeet gaat niet verder dan dit getal, dat later door Jeremia werd bepaald. Het is niet te verwonderen, dat de profeet de jaren en dagen niet geteld heeft; want de tijd der gevangenschap, dat is, van de laatste gevangenschap, was nog niet gekomen. Kort daarna werden wel vier stammen weggevoerd, en daarna de tien, en toen was het gansche koninkrijk ten onder gegaan, maar die laatste ondergang van het volk was nog niet zoo nabij. Daarom was het toen niet noodig de jaren te tellen, maar hij spreekt onbepaald van een' langen tijd, en hij spreekt van de kinderen Israels en zegt: Zij zullen blijven zitten, zonder koning en zonder vorst. Nu spreekt hij van hun' weduwstaat zonder beelden te gebruiken; daarom zegt hij : Zij zullen wezen zonder een koning en een vorst, dat is, er zal onder hen geenerlei burgerlijke regeering zijn; zij zullen wezen als een verminkt lichaam, zonder hoofd; en zoo is het met hen in hunne treurige verstrooiing ook gegaan.

En zonder offer, zegt hij, en zonder opgericht beeld. De Hebreen nemen i"DatÖ dikwijls in een' ongunstigen zin, hoewel de algemeene beteekenis een standbeeld is, daar een gedenkteeken boven een graf genoemd wordt; maar de profeet schijnt

hier van afgoden te spreken, want naderhand voegt hij er terafim bij, en terafim waren ongetwijfeld beelden, (Genesis 31 : 19—30,) die de bijgeloovigen gebruikten als zij hunne gewaande goden aanbaden, gelijk wij in vele plaatsen lezen. De koning van Babel wordt gezegd de terafim te hebben geraadpleegd ; en er wordt gezegd, dat Rachel de terafim stal, en kort daarna noemt Laban de terafim zijne goden. Maar het is beuzelpraat van de Hebreen, als zij zeggen, dat deze beelden gemaakt werden van eene constellatie, en dat zij later woorden spraken ; dit alles is bloot verzinsel, en wij weten welk eene vrijheid zij zich veroorloven in het uitdenken van fabels. De beteekenis is, dat God van het volk van Israël alle burgerlijke orde of regeling zou wegnemen, en daarna ook alle heilige plechtigheden, opdat zij zouden blijven als eene weduwe, en toch terzelfder tijd zouden weten, dat zij niet ten eenenmale door God waren verstooten, zonder dat hun eenige hoop op verzoening overbleef.

Sluiten