Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ondeugden. Vandaar dat het volk gaarne een verdrag maakte met hunne leeraars, opdat deze den plicht van hun ambt niet zouden nakomen : aldus is dan ook Gods wet in vergetelheid geraakt.

Daar de profeet nu den priesters hunne straf had aangekondigd, zoo verzekert hij nu aan het geheele volk, dat God ook over hen een ontzettend oordeel zal doen komen, ja, dat Hij het gansche geslacht van Abraham zal uitdelgen : Ik zal, zegt Hij, uwe kinderen vergeten. Waarom P De Heere had een verbond gemaakt met Abraham, dat voort zou duren, en aan zijne nakomelingen bevestigd zou worden: zij weken af van het ware geloof, zij werden ontaard, dus betuigt God hier rechtvaardiglijk, dat Hij eene rechtmatige reden had om dit ontaarde, verbasterde volk niet langer als kinderen van Abraham te erkennen. Hoe zoo ? ,/Omdat gij Mijne wet vergeten hebt", zegt Hij; ,/indien gij Mijner wet gedacht hadt, dan zou Ik ook Mijn verbond met u hebben gehouden; maar Ik zal Mijn verbond niet meer gedenken, want gij hebt het geschonden. Dewijl gij dan zoodanig volk zijt, verdienen nwe kinderen niet om onder dit verbond te zijn/;. Nu volgt:

7. Gelijk zy meerder geworden zijn, alzoo hebben zy tegen Mij gezondigd: Ik zal hunlieder eer in schande veranderen.

De profeet laat hier de boosheid en goddeloosheid des volks sterker uitkomen, door de omstandigheid te vermelden, dat zij, hoe meer God zich weldadig tegen hen betoonde, ja hun alles in grooten overvloed schonk, hoe onbeschaamder zij zich tegen Hem verhoovaardigden. Zulk eene klacht hebben wij reeds te voren opgemerkt; maar wij weten, dat de profeten de zaken niet slechts eenmaal bespraken ; als zij zagen, dat hunne woorden geene uitwerking hadden, dat het verachten van God aanhield, dan vonden zij het noodig, dikwijls te herhalen wat zij te voren gezegd hadden. Hier beschuldigt de profeet dus de Israelieten, dat zij de goedheid Gods schromelijk hadden misbruikt, daar zij als God zoo vriendelijk en milddadig jegens hen handelde, zich nog grooter vrijheid veroorloofden om tegen Hem te zondigen.

Sommigen bepalen dit tot de priesters, en denken de beteekenis te zijn, dat dezen méér zondigden tegen God, daar Hij den stam van Levi grootelijks had vermenigvuldigd, en hun' rijkdom had doen toenemen ; maar ik twijfel niet, of de profeet had het gansche volk op het oog. Wel heeft hij in het laatste vers de misdaden der priesters afgezonderd van die des volks, hoewel hij in den beginne in het algemeen had gesproken, maar nü keert bij daartoe terug, en zegt, dat allen van de hoogsten

Sluiten