Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede zinsnede schijnt hij te zinspelen op blinden ; gelijk een blinde zijn stok raadpleegt, zoo zegt hij, vragen de Israëlieten raad aan hun hout en stok. Sommigen denken dat hier gewezen wordt op bijgeloovige handelingen. Wij weten, dat de vogelwichelaars een staf gebruikten, en waarschijnlijk hebben de waarzeggers van het Oosten ook een' stat' of iets dergelijks gebruikt bij hunne tooverformules. Anderen verklaren de woorden allegorisch en dan zal hout valsche godsdienst, en stok de goddelooze profeten zijn. Maar ik neig eerder tot eenvoudigheid. Dus komt het mij waarschijnlijker voor, dat de Tsraelieten gelijk ik reeds gezegd heb, hier veroordeeld worden, omdat zij hout of doode afgoden raadpleegden, in plaats van den eenigen, waren God, en dat dit hetzelfde was, alsof een blinde raad vroeg aan zijn' stok, terwijl toch die stok verstand noch gevoel heeft. Een stok of staf is voorzeker wel nuttig, maar voor een ander doel. En aldus stelt de profeet niet slechts minachtend, maar ook ironisch de dwaasheid tentoon van hen, die hunne houten en steenen goden raadplegen ; want zij zullen er niet méér baat bij vinden, dan wanneer zij een' stok tot raadsman hebben.

Hij voegt er bij : Want de geest der hoererij bedriegt hen. Wederom verzwaart de profeet hunne schuld, want het was geen gering misdrijf, dat den Israelieten wordt toegeschreven, want zij waren, zegt hij, gansch en al verslaafd aan hoererij. Dus heeft de geest der hoererij hen bedrogen: het was hetzelfde, alsof iemand, ontstoken door lust, zich onbezonnen in het verderf stort, gelijk wij zien, dat verdierlijkte inenschen zich door een blinden en schandelijken hartstocht laten vervoeren, want dan verdwijnt elk onderscheid tusschen goed en kwaad van voor hunne oogen — er wordt geene keuze gedaan, geene schaamte gevoeld. Gelijk dan die brandende hartstochten soms zoo de menschen bevangen, dat zij niets meer kunnen onderscheiden, zoo zegt de profeet ten einde het volk des te meer te beschamen, dat zij waren als degenen, die verslaafd aan hoererij, hun oordeel niet meer gebruiken, en door geene schaamte meer worden weerhouden. De geest der hoererij heeft hen dus bedrogen: daar deze vergelijking echter dikwijls voorkomt, zal ik er niet bij verwijlen.

Zij hebben gehoereerd, zegt hij, teneinde den Heere niet meer te gehoorzamen. Hij zegt niet eenvoudig „van hun God" maar „van onder" > -i h^ben dus gehoereerd, ten einde Gode

niet meer te gehoorzamen, of onder .Zijne regeering te blijven. Hieruit kunnen wij leeren wat onze geestelijke kuischheid is, n.1. als God ons regeert door Zijn Woord, als wij niet her- en derwaarts gaan en roekeloos onze eigene bijgeloovigheden volgen. Als wij dus onder de regeering van God blijven, en het

8

Sluiten