Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal Juda met hen vallen. De profeet schijnt hier in tegenspraak met zich zeiven ; want toen hij te voren bedreigingen uitsprak tegen Israël, sprak hij van de veiligheid van Juda,,— //Juda zal verlost worden door zijn' God, niet door het zwaard, noch door den boog. Daar nu de profeet te voren onderscheid had gemaakt tusschen de tien stammen en het rijk van Juda, hoe is het, dat hij 1 en thans zonder eenig verschil te zamen voegt ? Hierop antwoord ik, dat de. profeet hier niet spreekt van die Joden, welke trouw bleven aan den waren, zuiveren Godsdienst, maar van hen, die zich met de Israelieten van den eenigen, waren God hadden vervreemd, en zich met hen hadden vereenigd in hunne bijgeloovigheden. Hij verwijst hier dus naar de ontaarde, niet naar de getrouwe Joden; want aan allen, die God op de rechte wijze aanbaden, was reeds verlossing en heil beloofd. Maar hij verklaart dat eene zelfde straf aanstaande was voor allen, die zich aan het algemeen heerschende bijgeloof hadden overgegeven. De Joden dus zullen met hen vallen, dat is: „Al wie uit de Joden zich bij die goddelooze vormen van eeredienst gevoegd hebben, en ook in andere verdorvenheden hebben gedeeld, zullen aan Gods oordeel niet ontkomen". Nu zien wij de ware bedoeling van den profeet. Nu volgt:

6. Met hunne schapen, en met hunne runderen zullen zij dan gaan, om den Ileere te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft zich van hen onttrokken.

De profeet drijft hier den spot met de geveindsheid des volks, omdat zij dachten een middel te bezitten om met God te handelen, n.l. Hem tevreden te stellen door offers. Daarom toont hij, dat noch de Israelieten, noch de Joden er iets mede zouden winnen, als zij de brandoffers gingen vermenigvuldigen, want op die wijze zouden zij zich niet in de gunst Gods kunnen herstellen. Hij geeft te kennen, dat God '.vaar berouw eischt, en dat Hij met de menschen niet verzoend wil wezen, tenzij zij Hem van harte zoeken, en zich toewijden aan Zijn' dienst; en niet omdat zij redelooze dieren offeren. Ongetwijfeld hebben de geloovigen in dien tijd hunne zonde verzoend door offers, maar slechts in typischen zin, want zij wisten met welk doel God de wet, betreffende de offers, had ingesteld, nl. opdat de zondaar door het zien op dat offer vermaand, zou erkennen des eeuwigen doods schuldig te zijn, en dus de toevlucht zou nemen tot Gods barmhartigheid, en op Christus en Zijne offerande zou zien, want in Hem, en nergens anders is de ware ver-

Sluiten