Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn aangezicht, en weten, dat onze zonden niet anders vergeten kunnen worden, dan wanneer Hij ze bedekt door Zijne vergeving. Dit is het dus wat de profeet in het eerste gedeelte \an het vers leert. Als wij ons nu inbeelden, dat wij vrede hebben met God, en met de dood en de hel, gelijk Jesaja in de door ons aangehaalde plaats zegt, zoo leert ons de profeet, dat God nog wakker is, dat Zijn ambt niet van Hem genomen kan worden, want Hij weet al wat er in de wereld voorvalt, en dit zal ten laatste openlijk bekend gemaakt worden, als onze zonden ons omsingelen, gelijk, ook in het vierde hoofdstuk van Genesis gezegd wordt: „De zonde ligt aan de deur". Want wij kunnen ons een tijd lang inbeelden, dat wij velerlei wegen ter ontkoming hebben, of ten minste vele schui-lplaatsen ; inaar God zal ten laatste toonen, dat dit alles ijdel is, want Hij zal over ons komen, en Hij heeft geene hulpmiddelen noodig van hier of van daar, wij zullen vijanden genoeg hebben in onze eigene ondeugden, want wij zullen er door belegerd worden niet anders, dan alsot God de geheele wereld tegen ons wapende. Laat ons nu voortgaan —

3. Zij verblijden den koning met hunne boosheid, en de vorsten met hunne leugenen.

Thans beschuldigt de profeet al de burgers van Samaria, en, in hen, het gansche volk, dat zij den koning gehoorzaamheid bewezen door hem te vleien, en de vorsten in slechte zaken, waaromtrent hun eigen geweten hen berispte. In het vijfde hoofdstuk had hij reeds op den afval van het volk te dien opzichte gewezen, wijl zij het koninklijk edict gewillig gehoorzaamden. Het zou inderdaad iets prijzenswaardigs hebben kunnen schijnen, dat het volk zoo gewillig deed wat de koning hun gebood. Dit is heden ten dage het geval met velen, die met zulk eene soort van verontschuldiging aankomen. Onder het pausdom durven zij zich niet aan hunne goddelooze bijgeloovigheden onttrekken, en zij voeren tot hunne verontschuldiging aan, dat zij hun' vorsten moeten gehoorzamen. Maar, gelijk ik reeds gezegd heb, de profeet heeft die soort van gehoorzaamheid te voren reeds veroordeeld, en nu toont hij, dat de atval, die in geheel Israël heerschte, niet toegeschreven moest worden aan den koning, of aan enkele mannen, maar dat het een algemeen heerschend kwaad was, waaraan allen, zonder uitzondering, schuldig waren. Waarom P Door hunne boosheid, zegt hij verblijden zij den koning, en de vorsten door hunne leugenen; dat is: Als zij de schuld op hunne regeerders willen werpen, dan is dit ijdel; want vanwaar kwam dan

Sluiten