Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevaar nabij zien. Opdat de Israelieten dus niet gevoelloos zouden blijven in hunne ondeugden, zegt de profeet, dat de verwoesting, waarvan hij sprak, zou zijn als de arend : want in een oogwenk vliegt de arend over een ontzettend grooten afstand, en wij staan verbaasd om hem boven ons hoofd te zien, hoewel hij een oogenblik te voren nog niet zichtbaar was. Zoo zegt ook de profeet, dat hoewel er thans nog niets van verwoesting te bespeuren was, deze echter zeer nabij was en dat zij, aangegrepen zijnde door verschrikking, hoewel het nu laat was, toch tot den Heere konden wederkeeren, daar Hij hen er zoo dringend toe noodigde.

h^!?t?rf^t,erbben Wij de verk,ari°g van het eerste vers van hoofdstuk VIII niet ten einde kunnen brengen. Er bliift ons dus nog over de laatste zinsnede te beschouwen, waarin de profeet de oorzaak aanduidt van den oorlog, dien hij hun te voren op Gods bevel had aangekondigd. Hij zegt, dat de Israelieten het verbond des Heeren hadden overtreden, en zich rouweloos hadden gedragen jegens Zijne wet. Hij herhaalt tweern aal dezelfde zaak, want het verbond en de wet ziin synoniem ; slechts wordt het woord met er, naar mijne meeninjf verklarend aan toegevoegd, alsof hij gezegd had, dat zij het vei bond des Heeren hadden geschonden, hetwelk door de wet bekrachtigd, of verzegeld, was. God had dus een verbond gemaakt met Israël, hetwelk Hij vervat wil hebben in de (twee) talelen. Dewijl het den Israelieten dus niet onbekend was vat zij aan God verschuldigd waren, waren zij verbondsbrekers pUÜn?h"M Tl W ' gehjk de Profeet aantoont, er dus door eevaMen met..d°or vergissing, of uit onwetendheid,

gevallen waren, toen zij het verbond des Heeren overtraden

want zij waren meer dan genoeg door de wet onderwezen welk geloof en welke reinheid de Heere van hen eischte, en toch was het verbond, dat de Heere zoo openlijk met hen gemaakt had, veronachtzaamd. Nu volgt:

2. Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israël kennen ü. 3. Israël heeft het goede verstouten ; de vijand zal hem vervolgen.

Het zeggen van den profeet: Tot Mij zullen zij roepen wordt door sommigen zoo verstaan, dat diteene afkeuring inhoud van de I'raeheten, omdat zij de toevlucht niet hebben^omen tot God, en zij geven dan aan deze woorden van den profeet deze beteekenis : „Zij behoorden tot Mij te roepen". Adderen zien er eene vermaning of opwekking in : .Laten de Israelieten nu tot Mij roepen/'. Maar ik neem de woorden eenvoudig zoo-

Sluiten