Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h"nne of[e,'s te, looy zal gaan> en terwijl zij, als zij brandoffers o leien, het vleesch behooren te verbranden, houden zij het heel teneinde het zelf te eten. Zij maken dus veel vertoon met hunne offeranden, maar het blijkt eene bespotting te zijn, want zij verteeren brandoffers in dankoffers, opdat het vleesch In .?|J° geheel zou blijven voor hen om het te eten. En ongetwijfeld was het altijd eene heerschende ondeugd in de geveinsden oin gewin aan hunne bijgeloorigheden te verbinden. Hoezeer de afgodendienaars dus ook beweren, geheel toegewijd te

zijn aan God, toch zullen zij er zorg voor dragen, dar niets te loor gaat. '

De profeet schijnt dan nu deze ondeugd te bestraffen; toch stem ik toe, dat de Israelieten er om gelaakt worden, dat zij dfnken te bevredigen door offers, die op zich zei ven van geenerlei waarde waren, daar wij te voren eene dergelijke verklaring gehad hebben. Maar ik voeg die beide beschouwingen te zamen —- dat zij zonder eenige Godsvrucht ijdele offers brachten aan God, en dan, dat zij vleesch offerden voor brandoffers, en dus zich zeiven voedden, maar zich om de aanbidding Gods niet bekommerden. Zij offeren dus de offers van Mijne brandoffers-, maar wat offeren zij? Vleesch. Ook schijnt het niet te veigeefs dat hij het woord vleesch genoemd heeft. Sommigen zeggen, dat alle offers hier bij wijze van minachting, vleesch genoemd worden; mij komt het echter voor, dat er veeleer eene tegenstelling gemaakt wordt tusschen brandoffers en vleesch : omdat het volk van Israël voor zich zeiven wenschte te zorgen en een rijken maaltijd te hebben, terwijl de Heere eischte, dat em een brandoffer gebracht zou worden; en daarna voe^t hij er bij : en zij eten. Door het woord eten bevestigt hij, wat ik reeds gezegd heb, nl. dat hij in de Israelieten hier bestraft de on eugd van slechts bedacht te zijn om zooveel mogelijk te eten en daarbij den naam Gods als een ijdel voorwendsel o-ebruikten. °

Evenzoo is het in onzen tijd met de Papisten, als zij hunne eesten vieren, dan vieren zij zich den teugel en denken, dat hoe meer zij eten en drinken, hoe meer God aan hen verplicht

«m. i 1S k 1JVGr; eten vleesch> en denken toch dat zij offeranden brengen aan God. Dus bieden zij Gode hun welgevulde maag aan. Dat zijn de dankoffers der Papisten. Zoo

behooren eZnd».' M "e° ,IeeSch' 2iJ haddra De Heere heeft aan hen geen welgevallen, zegt hij. Wederom toon de profeet hier kortelijk aan, dat de geveinsden, terwijl zij aldus een valschen schijn aannemen, tegelijk ook zich zeiven bedriegen, en ten laatste zullen ontdekken, hoe zij te vergeefs God en den menschen gelogen hebben. God heeft

Sluiten