Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrip der menschen te spreken, stelt Hij zich in deze of die hoedanigheid aan hen voor. Als Hij ongewillig schijnt om te straffen, toont Hij met welk eene liefde Hij Zijn volk aanziet, of met welk eene vriendelijke, teedere genegenheid Hij hen bemint. Maar als Hij met verstokte, onbekeerlijke menschen te doen heeft dan zegt Hij, dat Hij een welbehagen heeft in hun verderf; en het is om dezelfde reden, dat er gezegd wordt, dat God wrake zal doen. Nu verstaan wij de bedoeling van den profeet. Hij geeft te kennen, dat het voornemen Gods om het volk van Israël te verderven nu niet herroepen kan worden ; want die straf was Hem eene verlustiging.

Verder zegt hij : Ik zal hen tuchtigen, en volken zullen tegen henlieden verzameld worden. Door deze woorden toont God dat Hij alle volkeren in Zijne hand heeft, dat Hij hen kan wapenen, telkenmale als Hem dit behaagt; en deze waarheid wordt overal in de Schrift geleerd. God houdt dus alle volkeren zóó onder Zijn bevel, dat Hij hen, wanneer Hem dit ook moge behagen, door een gefluit of een' wenk ten strijde kan doen uittrekken. Dewijl nu Israël lachte en spotte met Gods oordeel, toont God nu hoe afdoende Zijne wrake zal ziju, want Hij zal alle volkeren tegen hen vergaderen om hen te verderven.

Om dezelfde reden voegt hij er bij : Als zij zich gebonden zullen hebben in tu:ee voren. Door deze zinsnede waarschuwt de profeet de Israelieten, dat niets hun zou baten; al versterkten zij zich ook tegen ieder gevaar, en al verzamelden zij zich ook van alle kanten kracht, het zou God niet weerhouden of beletten Zijne wrake te volvoeren. Als zij dus in twee voren gebonden zullen zijn, zal Ik daarom niet aflaten van de volken tegen hen te verzamelen, die al hunne sterkten te niet zullen maken. Nu bespeuren wij de bedoeling van den profeet. Hij spreekt ongetwijfeld van twee voren niet betrekking tot ploègen, want wij zullen zien, dat de profeet nog verder bij dit beeld verwijlt. Hoezeer de Israelieten zich dus ook vereenigen en krachten verzamelen, toch zal het voor God eene lichte zaak zijn volken te verzamelen om hen te verderven.

Sommigen brengen dit in verband met het geheele volk, want zij denken, dat hier gewezen wordt op het verdrag tusschen Juda en Israël, doch dit is eene bloote gissing, die niet dooide geschiedenis wordt ondersteund. Anderen hebben eene andere verklaring gevonden, nl. dat de Heere hen allen te zatnen zal straffen, daar Juda zich met Israël had vereenigd in de aanbidding der kalveren ; en zoo denken zij dat het bijgeloof, dat hun gemeen was, den band der overeenkomst had gevormd tusschen de twee koninkrijken. Er zijn anderen, die denken, dat de profeet zinspeelt op de twee kalveren, waarvan het eene, gelijk wel bekend is, te Dan werd aangebeden, en

Sluiten