Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, matigt hij wat hij te voren omtrent de schrikkelijke wrake Gods gezegd had. Wat hij sprak was dus niet om de droefheid te verlichten van geveinsden ; want de profeet had slechts het oog op de ongelukkigen, die zoo getroffen waren door het gevoel van Gods toorn, dat zij schier door wanhoop verzwolgen zouden zijn, indien hunne smart niet verzacht ware geworden. Dat is ééne zaak. Maar voorts, als Hij zegt, dat Hij is God, en geen mensch, dan moet die waarheid doordringen tot ons hart, dat wij Gods genadige beloften mogen smaken als wij wankelen ten opzichte van Zijne beloften, of wanneer onze geest door verschrikking wordt aangegrepen. Hoe! gij twijfelt, en gij hebt te doen met God ! Maar hoe komt het, dat wij zoo moeielijk steunen op de beloften Gods, indien niet daarom, dat wij Hem ons gelijk voorstellen ? Dewijl wij dus de gewoonte hebben van ons Hem anders voor te stellen dan Hij is, zoo laat dit gebrek dan verholpen worden door deze waarheid, en als God ons vergiffenis belooft, waaruit de hoop op heil en verlossing voor ons ontstaat, zoo laat ons, al zijn wij te voren ook nog zoo verschrikt geworden door Zijne oordeelen, dit voor den geest komen, dat Hij, dewijl Hij God is, niet beoordeeld moet worden naar hetgeen wij zijn. Wij bebehooren dus eenvoudig te steunen op Zijne beloften. „Maar wij zijn niet waardig vergeving te ontvangen, en daarbij is de gruwel onzer zonden zoo groot, dat er geene hoop kan wezen op verzoening". Hier moeten wij terstond dit schild aangrijpen, wij moeten leeren ons te versterken met deze verklaring van den profeet: Hij is God, en geen mensch ; laat dit schild altijd aangegrepen worden, om er alle soort van wantrouwen mede af te weren.

Maar hier zou men kunnen vragen: ,/Was Hij dan niet God toen Hij Sodom en de naburige steden heeft verwoest?" Dat oordeel heeft de heerlijkheid des Heeren niet doen tanen ; Zijne majesteit werd er niet door aangetast of verminderd. Maar deze twee volzinnen moeten te zamen gelezen worden : Ik ben God en geen mensch, de Heilige in het midden van u. Wie deze volzinnen afzonderlijk leest, laat aan de bedoeling van den profeet geen recht wedervaren. God verklaart hier niet slechts, dat Hij niet is gelijk de menschen, maar Hij voegt er bij, dat Hij heilig is in het midden van Israël. Het is ééne zijde van Gods wezen, die ons hier wordt voorgehouden, en dat is de ontzettende afstand tusschen Hem en de menschen, gelijk wij dit geschreven vinden bij den profeet Jesaja: „Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten; want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne gedachten dan ulieder gedachten", (Jes. 55 : 8, 9). Zoo toont ook aan deze plaats de profeet wat God is, en hoezeer Zijn aard en wezen verschilt

Sluiten