Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten eerste is het zeker, dat de profeet niet spreekt van ge\einsde woorden; want wij weten wat God verklaart door Jesaja : „Dit volk nadert tot Mij met zijn' mond, doch hun hart is verre van Mij" (Jesaja XXIX : 13). Maar hij zegt hun woorden te nemen, waarmede zij uitdrukken wat er in hun hart was. Hij bedoelt dus in de eerste plaats, dat hunne woorden overeen zouden komen met hetgeen zij in hun hart gevoelden.

In de tweede plaats moet opgemerkt worden, dat de profeet hier niet spreekt van woorden van allerlei aard, maar dat er een wederkeerige verhouding moest zijn tusschen de woorden Gods en de woorden der menschen. Hoe moeten wij dus tot God woorden brengen, waaruit de wezenlijkheid onzer Godsvrucht blijkt P Het is door leerzaam en onderworpen te zijn, door gewillig te lijden, als Hij ons kastijdt, door te erkennen wat wij verdienen, als Hij ons bestraft, door ootmoedig de wiake af te bidden, als Hij ons dreigt, door de vergeving aan te nemen, als Hij haar belooft. Als wij dus woorden nemen uit Gods mond en ze tot Hem brengen, dan is dit woorden nemen naar de bedoeling van den profeet te dezer plaatse Daaruit zien wij nu de beteekenis van des profeten vermaning als hij ons zegt woorden te nemen. Maar ik kan thans niet verder voortgaan.

Neem met u woorden, en lieer u tot Jehor.ah, en zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en breng het goede en wij zullen U de varren onzer lippen betalen. In onze laatste lezing hebben wij gezegd, wat soort van woorden de profeet hier den Israelieten zegt te nemen, terwijl hij hen vermaande zich te bekeeren ; want daar zij tot nu toe doof en stom geweest waren, gebiedt hij hun niet slechts acht te geven op het woord des Heeren, maar ook snel bereid om te antwoorden, opdat er overeenstemming zij tusschen de leer, die door hen gehoord werd, en hunne belijdenis. Nu verklaart hij zich nader en zegt: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede. Dat zijn de woorden waarmede hij hun zegt tot God te komen. Hij dicteert hun de belijdenis, die de Heere van hen eischt.

Ten eerste zegt hij hun te vragen om kwijtschelding en vergeving van zonden ; want als een zondaar verlangt weder in Gods gunst te komen, maar toch zijne schuld niet belijdt, is zijne wijze van doen al zeer vreemd. Reeds het allereerste begin moet eene belijdenis zijn, zooals de profeet haar hier beschrijft. Want door aan God te vragen om kwijtschelding hunner zonden, erkenden de Israelieten zich tevens 'schuldio- te zijn voor Zijn aangezicht; ja, zij veroordeelden zich opdat°zii uit genade vergeving mochten ontvangen. En vol van beteeke-

Sluiten