Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. En de aarde bracht uitspruitsel voort, kruid, dat zaad voortbracht naar zijnen aard, en vruchtdragend geboomte, dat zijn zaad in zich droeg, naar zijnen aard. En God zag, dat het goed was.

13. En het was avond geweest en morgen de derde dag.

14. Toen zeide God: dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om den dag van den nacht te scheiden, en dat ze zijn tot teekenen en vaste tijden, dagen en jaren.

15. En dat zij zijn tot lichten aan 't uitspansel, om de aarde te verlichten. En het was alzoo.

16. En God maakte de twee groote lichten, het grootste licht tot heerschappij des daags, en het kleinste tot heerschappij des nachts, en de sterren.

17. En God plaatste ze aan het uitspansel des hemels, om de aarde te verlichten.

18. En om te beheerschen dag en nacht, en licht van duisternis te scheiden. En God zag, dat het goed was.

19. En het was avond geweest en morgen, de vierde dag.

20. Daarna zeide God: Dat de wateren doen wremelen een gewremel van levende zielen, en het gevogelte vliege boven de aarde, aan de oppervlakte van het uitspansel des hemels.

21. En God schiep de groote walvisschen, en alle levende wremelende ziel, die de wateren deden wremelen, naar haren aard, en alle gevleugeld gevogelte, elk naar zijnen aard. En God zag, dat het goed was.

22. En Hij zegende ze, zeggende: Vermeerdert en vermenigvuldigt u, en vervult de wateren in de zeeën, en 't gevogelte vermenigvuldige zich op de aarde.

23. En het was avond geweest en morgen, de vijfde dag.

24. Daarna zeide God : De aarde brenge voort de levende ziel naar haren aard, vee en kruipend gedierte, en de dieren der aarde naar hunnen aard. En het was alzoo.

25. En God maakte 't gedierte der aarde naar zijnen aard en 't vee naar zijnen aard, en alle kruipend gedierte der aarde naar zijnen aard, en God zag dat het goed was.

Sluiten