Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len van zijnen vorigen staat, opdat hij zou gevoelen, dat 't leven des menschen zonder God ongelukkig en hopeloos is, en niet het minst verschillende van den dood. En daarom wordt de staat des menschen na de zonde ook niet ten onrechte berooving des levens, en „dood" genoemd. De gebreken en kwalen, zoowel van ziel als van lichaam, waarmee de mensch is behept, zoolang hij op aarde is, zijn als een voorportaal des doods, totdat de dood zelve hem geheel opslurpt.

Want „dooden" noemt de Schrift overal hen, die, onderdrukt door de tyrannie van zonde en satan slechts leven tot hun verderf. En daarom is de vraag overbodig, waarom God Adam heeft gedreigd met den dood, ten dage als hij de vrucht aanraakte, daar Hij toch de straf voor langen tijd heeft verschoven. Want terstond was Adam aan den dood overgegeven en de dood begon hare heerschappij in hem, totdat de daarbijkomende genade een geneesmiddel aanbracht.

18. 't Is niet goed, dat de mensch alleen zij. Nu ontvouwt Mozes Gods plan met het scheppen der vrouw n. 1., opdat er menschen op aarde zouden zijn, die onderlinge gemeenschap zouden onderhouden. Evenwel kan betwijfeld worden, of deze tekst tot de nakomelingschap moet worden uitgestrekt; want de woorden klinken eenvoudig aldus: „Omdat het voor den man niet goed is alleen te zijn, moet de vrouw geschapen worden, opdat zij hem ter hulpe zij." Ik vat dit echter zoo op: dat God wel begint met den eersten schakel van het menschelijk geslacht, maar toch ook de anderen omvatten wil, elk op zijne plaats. Het begin is dus een algemeene regel, dat de mensch geschapen is, opdat hij zou zijn een in gemeenschap levend wezen. Nu kan het menschelijk geslacht niet bestaan zonder vrouw. Ja, die zeer heilige band, waardoor man en vrouw tot één lichaam en ziel samensmelten, blinkt in de samenleving boven alles uit, zooals de natuur zelve Plato en andere zeer verstandige wijsgeeren heeft doen spreken.

Overigens, schoon God dit zegt van Adam, dat het voor hem niet goed zou zijn alleen te wezen, beperk ik echter dit niet tot zijn persoon; maar ik geloof veel meer, dat dit een algemeene regel is van de menschelijke roeping, zoodat elk het als tot hem gesproken moet aannemen, dat de eenzaamheid niet goed is, tenzij God iemand als door een bijzonder privilegie uitzondert. Velen meenen, dat voor hunne aangelegenhe-

Sluiten