Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens bedenken, dat wij door omwegen nooit zoo ver zullen komen, of altoos betrekt ons God door eene rechtvaardige aanklacht in Adams zonde. In 't bijzonder is dit „waarvan Ik U had geboden, dat gij niet zoudt eten" er bij gevoegd, om het voorwendsel van onwetendheid weg te nemen. Want God bedoelt, dat Adam bij tijds vermaand is geweest, en dat hij om geene andere oorzaak is te gronde gegaan, dan doordat hij wetens en willens het verderf over zich gehaald heeft. Andermaal merkt men in de overtreding en weerspannigheid de snoodheid der zonde. Want gelijk voor God niets aangenamer is dan gehoorzaamheid, zoo is niets minder verdragelijk, dan dat de menschen met verachting Zijner bevelen aan satan en eigen lust gehoorzamen.

12. De vrouw, die Gij mij gegeven hebt. Nu komt meer duidelijk Adams overmoed te voorschijn; want zoo weinig is hij nog vernederd, dat hij tot heftiger beschuldiging uitbreekt. Zwijgend had hij eerst met God getwist, nu begint hij openlijk met Hem te kampen, ja, als 't ware met verbreking van alle hinderpalen valt hij aan.

Daaruit zien wij, welk een onbuigzaam en onbedwingbaar wezen de mensch begon te worden, nadat hij zich van God vervreemd had. Want het levende beeld der bedorven natuur wordt ons in Adam na zijn val voorgesteld. „Ieder wordt verzocht van zijne eigene begeerlijkheid" zegt Jacobus hoofdst. 1 vs. 14 en Adam is alleen door zijn eigen zin en wil opstandeling tegen God geworden. Alsof hij echter zich van geen kwaad bewust was, stelt hij de vrouw als schuldige in zijne plaats. Daarom heb ik gegeten, zegt hij, omdat zij mij gaf. En daarmee nog niet tevreden, betrekt hij tegelijk God mee in de misdaad, door Hem voor de voeten te werpen, dat de vrouw, die 't verderf heeft aangebracht, door Hem werd gegeven. Ook wij, onderwezen in de leerschool van den val der zonde, zijn ook tot het zoeken van dergelijke uitvluchten maar al te zeer geneigd. Doch wij winnen er niets bij, want al zijn het influisteringen en ophitsingen van elders, die ons aanzetten, in ons hart is toch het ongeloof, dat ons van de gehoorzaamheid aan God afvoert, van binnen is de trots, die verachting voortbrengt.

13. En de Heere God zeide tot de vrouw. Niet verder twist God met den man, en 't is ook niet noodig; want eerst door

Sluiten