Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. En Abel bracht ook zelf van de eerstelingen zijns vee en van hun vet; en de Heere zag Abel en zijn offer aan.

5. Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan : derhalve werd Kaïn zeer toornig, en zijn gelaat verviel.

6. En de Heere zeide tot Kaïn, wat zijt gij toch ontstoken, en wat is uw gelaat vervallen ?

7. Zal er niet, zoo gij recht handelt, aanneming zijn, En zoo gij niet recht handelt, de zonde ligt aan de deur. Zijne begeerte (nl. van Abel) is toch tot u, en gij zult over hem heerschen.

8. En Kaïn sprak met Abel zijn broeder, en het geschiedde, toen zij in het veld waren, dat Kain tegen Abel zijn broeder opstond, en hem doodde.

9. En de Heere zeide tot Kaïn: Waar is Abel, uw broeder ? En hij zeide : Ik weet het niet, ben ik mijns broeders hoeder ?

10. En Hij zeide : Wat hebt gij gedaan ? De stem des bloeds van uwen broeder roept tot Mij tot van de aarde.

11. En daarom gij zult vervloekt zijn op de aarde, die haren mond heeft geopend, om het bloed uws broeders uit uwe hand op vangen.

12. Wanneer gij de aarde zult bebouwen, zij zal niet voortgaan met u haar vermogen te geven, gij zult zwervende en dolende zijn op de aarde.

13. En Kain zeide tot den Heere: Mijne straf is te groot voor mij om te dragen.

14. Zie, Gij hebt mij heden uitgeworpen van den aardbodem en van Uw gelaat zal ik verstoken zijn, en ik zal zwervend en dolend zijn op de aarde en 't zal zijn, dat elk die mij zal vinden, mij zal dooden.

15. En de Heere zeide tot Hsm : daarom, al wie Kain zal dooden, zal zevenvoudig gewroken worden. En de Heere stelde een teeken aan Kain, opdat niet elk, die hem vond, hem versloeg.

16. En Kain ging uit van 't aangezicht des Heeren, en woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.

17. Kain nu bekende zijne vrouw en zij ontving en baarde Henoch, en hij bouwde eene stad, en noemde den naam der stad naar den naam zijns zoons Henoch.

Sluiten