Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat aan de algemeene zoowel als aan de bijzondere oordeelen Gods zulke perken worden gesteld, dat het geheel der wereld vast blijft staan en de natuur haren loop behoudt. Als G:>d hier uitspreekt, van welken aard de menschen tot het einde der wereld zullen zijn, blijkt duidelijk, dat het geheele menschelijk geslacht schuldig verklaard wordt aan verkeerdheid e:i kwaadwilligheid. En niet alleen wordt het vonnis geveld over de bedorven zeden, maar de slechtheid wordt gezegd hun aangeboren te zijn, zoodat niets dan kwaad in hen opwelt. Ik sta er echter verwonderd over, vanwaar die onzuivere overzetting is ingeslopen, dat de gedachte geneigd is tot het kwaad. Of, en dit acht ik waarschijnlijk, deze plaats is aldus bedorven door hen, die al te wijsgeerig geredeneerd hebben over het bederf der menschelijke natuur. Het scheen hun zoo hard toe, dat de mensch als slaaf des duivels aan de zonde onderworpen was. Daarom zeiden ze, om dit wat te verzachten, dat hij geneigd was tot het kwade.

Maar als de Hemelsche Rechter van den hemel afkondigt, dat de overdenkingen verkeerd zijn, wat baat het dan of men al verzacht, hetgeen toch vast blijft ? Laten de menschen daarom erkennen, dat zij, zooals ze uit Adam worden geboren, een maaksel zijn vol boosheid, en dat zij daardoor alleen verkeerde gedachten vormen, totdat ze een nieuw werk van Christus worden, en door Zijnen Geest tot een ander leven worden omgezet. Er is geen twijfel aan, of de Heere bedoelt, dat het verstand des menschen zelf verkeerd en geheel door het kwade besmet is, zoodat alle gedachten, die daaruit te voorschijn komen, slecht zijn. Als de boom zelve zoo bedorven is, moeten ook alle hartstochten ongeregeld zijn, en onze werken met hetzelfde vocht overgoten zijn, omdat zij hunne afkomst niet kunnen verloochenen. God zegt niet, dat de menschen zoo nu en dan maar eens verkeerd denken, maar de zin is onbepaald, zoodat de boom met de vruchten wordt samengevat. Hiermede is niet in strijd, dat vleeschelijke en goddelooze menschen dikwijls eenen rechtgeaarden geest bezitten, plannen maken, die uiterlijk schoon zijn, en enkele proeven van deugd afleggen. Daar zij eenen geest hebben, bedorven door verachting Gods, trotschheid, zelfzucht, eerzucht, huichelachtigheid, bedrog, ijdelheid, zoo kan het niet anders, of al hunne gedachten zijn met zoodanige ondeugden vervuld. Zij kunnen dus nooit het goede bedoelen,

Sluiten