Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij, dat Abrams wensch door God is goedgekeurd. Daaruit volgt, dat Abram niet door vleeschelijken lust tot dezen wensch is aangezet, maar door een vroom en heilig verlangen naar het genot der beloofde zegening. God belooft hem niet slechts een zaad, maar een groot volk, dat in getal en menigte de sterren des hemels zou evenaren. Hun, die dit allegorisch uitleggen, dat hem een hemelsch zaad werd beloofd, omdat het met de sterren wordt vergeleken, gun ik hun gevoelen. Laten wij ons echter houden aan wat vaster is, n. 1. dat Abrams geloof door het aanschouwen der sterren steun heeft ontvangen. Want om de zijnen vaster aan zich te verbinden en met meer kracht geheel hun verstand te doordringen, roept de Heere, nadat Hij het oor der Zijnen heeft aangeroerd d;>or zijn woord, tevens hunne oogen op door uitwendige teekenen om met de ooren overeen te stemmen. Daarom was de aanblik der sterren niet overbodig, maar met deze gedachte wild; God Abrams gemoed treffen, of zij, Die alleen door Zijn woord plotseling zulk een talrijk leger voortbracht, om daarmee den hemel te versieren, die te voren ledig en woest was, niet in^staat was, om zijn ledig huis met nakomelingen te vervullen. Overigens is het geen vereischte hiervan een nachtelijk gezicht te maken, omdat toen de sterren te voorschijn kwamen, die overdag zich aan het oog onttrekken. Want daar dit in een gezicht geschiedde, kreeg Abram door een wonderlijk schouwspel, verborgene zaken met het bloote oog te zien.

Hij kon dus zonder een voet te verzetten in een gezicht buiten zijne tent worden geleid. Men vraagt thans, van welk zaad men de belofte heeft te verstaan. Dit staat vast, dat noch de nakomelingen van Ismaël, noch van Ezau hieronder worden gerekend, omdat het wettig zaad wordt gerekend naar de belofte, die God wilde dat blijven zou bij Izaak en Jacob. Aangaande de nakomelingen van Jacob echter ontstaat hetzelfde verschil, omdat velen, die naar het vleesch van hem afstamden, zichzelven hebben doen vervallen als ontaarden en vervreemden van het geloof der vaderen.

Ik antwoord, dat deze uitdrukking zonder onderscheid moet worden uitgestrekt over het geheele volk, dat God Zich had aangenomen. Doch cnidat velen door hunne ongeloovigheid afvielen, moeten wij zien op Christus, die de ware en echte zonen van de onechte onderscheidt. Aldus wordt Abrams na-

Sluiten