Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorts, opdat niemand zich zou verontrusten over de verandering van het zichtbare teeken, houde men in het oog die tijdsverandering, waarvan ik sprak, die met aanbrenging van eenige verscheidenheid heeft bestendigd, wat anders bouwvallig zou geweest zijn. Derhalve, al is het gebruik der besnijdenis opgehouden, toch houdt ze niet op te zijn een eeuwig en blijvend verbond, als slechts Christus als middelpunt wordt gesteld, die met verandering van het teeken de waarheid heeft bevestigd.

Dat nu met Christus' komst de uitwendige besnijdenis is opgehouden, blijkt uit de woorden van Paulus, die niet alleen leert, dat wij door den dood van Christus, geestelijk besneden zijn ; niet door een vleeschelijk teeken, maar ook de doop uitdrukkelijk in de plaats der besnijdenis stelt, Coloss. 2 vs. 11. De Doop n. 1. kan niet volgen op de Besnijdenis, of hij moest haar te niet doen. Daarom ontkent hij ook in het volgende hoofdstuk, dat tusschen Doop en Besnijdenis eenig onderscheid bestaat, wat destijds n. 1. een middelmatige en onbelangrijke zaak was. Daarmee wordt ook weerlegd de dwaling van hen, die meenen, dat ze nog van kracht is onder de Joden als een bijzonder volksteeken, dat nooit moet afgeschaft worden. Wel geef ik toe, dat ze hun voor een tijd is toegestaan, totdat de vrijheid, door Christus verworven, beter bekend zou zijn ; maar toch zoo, dat ze allerminst hare kracht behield. Immers het zou ongerijmd zijn, door twee onderscheidene teekenen in de Kerk te worden ingelijfd, waarvan het ééne zou getuigen en verzekeren, dat Christus gekomen is, maar het andere Hem zou afschaduwen als een afwezige.

14. Wiens vleesch niet besneden is. Opdat de Besnijdenis met te meer ijver zou nageleefd worden, stelt God op hare verwaarloozing een zware straf. Gelijk men nu daarin de grootheid Zijner zorg voor 's menschen zaligheid kan zien, zoo wordt tevens hunne nalatigheid bewezen. Want als God een zoo liefdevol onderpand aanbiedt van Zijne liefde en van het eeuwige leven, waartoe anders voegt Hij dan bedreigingen daaraan toe, dan om hen, die snel moesten komen toeloopen, uit traagheid op te wekken ? Deze strafaankondiging daarom beschuldigt de menschen van snoode ondankbaarheid, omdat ze Gods genade öf versmaden öf verachten. Nu leert deze plaats dat Hij niet ongestraft zoodanige verachting zal toelaten.

Sluiten