Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. En Abraham viel op zijn aangezicht. Dit was niet alleen een bewijs van eerbied, maar ook van geloof. Immers Abraham aanbidt God niet maar alleen, doch betuigt tevens, door Hem te danken, dat hij door het geloof aannam en omhelsde, wat beloofd was aangaande een zoon. Daaruit verklaren wij ook, dat hij heeft gelachen, niet omdat hij Gods belofte verachtte, of voor een fabel hield of verwierp, maar gelijk meermalen bij zeer onverwachte dingen pleegt te geschieden, barst hij in lachen uit, deels uit vreugde, deels als buiten zichzelve van verwondering. Want ik hel niet over tot het gevoelen van hen, die meenen, dat uit blijdschap alleen deze lach is ontstaan. Veel meer ben ik geneigd te meenen, dat Abraham buiten zich zelf van verwondering geweest is, hetgeen ook de volgende vraag bevestigt: „Zal dan aan een honderdjarige een zoon geboren worden ?" Immers schoon hij niet als ijdel verwerpt, wat door de Engel gezegd was, toont hij toch een gevoel te hebben, alsof hem eene ongeloofelijke tijding was gebracht. Zoo zeer treft hem de nieuwheid der zaak, dat hij voor een oogenblik verstomt, maar toch zich voor God vernedert, en schoon verward van geest Zijne macht aanbidt met ter aarde geneigd gelaat.

Want dat dit geen woord van twijfel is, getuigt Paulus Rom. 4: 19, waar hij ontkent, dat Abraham zijn lichaam als verstorven heeft aangemerkt, of Sarah's baarmoeder als toege sloten, of getwijfeld heeft door ongeloof, maar verklaart, dat hij op hope tegen hoop geloofd heeft. En wat Mozes verhaalt, dat Abraham in zijn hart sprak, verklaar ik niet zoo, dat hij dit duidelijk in zijn gemoed heeft beseft, maar gelijk vele dingen ons overvallen, zonder dat wij er aan denken, kwam ook hem dat verbazende denkbeeld voor den geest, wat een vreemd iets het zou zijn, dat aan een honderdjarige een zoon werd geboren.

Toch schijnt dit ook eenigermate een strijd te zijn geweest tusschen het vleeschelijk bewustzijn en het geloof. Immers, schoon Abraham zich eerbiedig voor God neerbuigt, en zijn verstand gevangen legt onder Zijn woord, toch wordt hij nog zoodanig door het nieuwe dezer zaak getroffen. Ik antwoord hierop, dat deze verwondering, die Gods almacht geene hinderpalen in den weg legde, niet in strijd is geweest met het geloof, integendeel; daarom heeft zijn geloofskracht nog meer geschitterd, dat ze zulk eene onoverkomelijke hinderpaal wist te mijden.

Sluiten