Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(4) Indien de beleener, hetzij bij de beleening, hetzij bij de lossing van het pand zich van getuigen wenscht te doen vergezellen, moeten ook dezen toegelaten worden, op verbeurte eener geldboete van één tot vijfentwintig gulden voor elke weigering.

Art. 11. Indien het bij het vorig artikel bedoeld bewijs door den rechthebbende niet kan worden overgelegd, kan deze het pand desniettemin, tegen betaling van het daarop beleend bedrag, met de daarop verschuldigde interessen, lossen, mits hij vooraf, ten genoegen van den pachter, diens gemachtigde of diens ondergeschikten, of, bij weigering van die zijde, ten genoegen van het Hoofd van plaatselijk bestuur van zijn recht doet blijken.

ART. 12. (1) De pachter is gerechtigd om de verpande goederen, die niet binnen den bij artikel 6 bedoelden beleeningstermijn gelost zijn, in het openbaar te verkoopen, zoodra die termijn verstreken is.

(2) Na afloop van elk half jaar is hij tot zoodanigen verkoop verplicht ten aanzien van de goederen, die alsdan niet binnen den bij artikel 6 bedoelden beleeningstermijn gelost zijn. Deze verkoopingen moeten geschieden binnen een door het Hoofd van plaatselijk bestuur te stellen termijn. Zoolang de verplichting tot verkoop niet is nagekomen, verbeurt de pachter eene geldboete van één tot vijfentwintig gulden voor elke ingegane week verzuim, welke geldboete bij de tweede en volgende veroordeelingen ter zake kan stijgen tot vijftig gulden voor elke ingegane week verzuim, over welke nog géene boete is opgelegd. De verplichting tot verkoop bestaat niet voor de verpande goederen, welke, ter beoordeeling van het Hoofd van plaatselijk bestuur, kunnen noodig zijn als stukken van overtuiging in strafzaken.

(3) De verkoopingen hebben plaats onder toezicht van eene door het Hoofd van plaatselijk bestuur te benoemen commissie, nadat deze de te verkoopen goederen met de boeken vergeleken heeft.

(4) Zij worden gehouden ter plaatse waar het pandhuis gelegen is. Indien bezwaren van overwegenden aard zich daartegen verzetten of zulks in het belang is eener ruimere opbrengst, kan het Hoofd van gewestelijk bestuur eene andere plaats aanwijzen, in welk geval de te verkoopen goederen niet vóór een door hem te bepalen dag naar de plaats der verkooping mogen worden overgebracht, op verbeurte eener geldboete van vijfentwintig gulden.

(5) Omtrent de aanvrage van den verkoopdag, het bestemmen van een lokaliteit voor de verkooping, de voorbereiding en de verdere regeling der verkooping, moeten, op verbeurte

Sluiten