Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 3. Lagere scholen, opgericht en onderhouden door het gouvernement, zijn openbare-, alle andere zijn particuliere scholen.

Art. 4. enz.

Art. 5. (1) Behoudens het bepaalde in art. 7, mag niemand lager onderwijs geven, die niet in het bezit is der bij de art. 19, 26 en 31 en volgende gevorderde bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid.

(2) Vreemdelingen behoeven bovendien de vergunning van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid. 1)

(3) De bewijzen, in Nederland wettig afgegeven, zijn van waarde.

ART. 6. Waar in dit reglement of in daarmede verband houdende verordeningen van onderwijzers gesproken wordt, zijn mede onderwijzeressen bedoeld, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald is.

(1) De bepalingen der al. 1 en 2 van art. 5 zijn niet toepasselijk op:

a. hen, die uitsluitend aan kinderen van één gezin lager huisonderwijs geven;

b. hen, die aan kinderen van meerdere gezinnen lager huisonderwijs geven op plaatsen, waar geene gelegenheid tot het bezoeken van lagere scholen bestaat;

c. hen, die van het geven van lager onderwijs geen beroep maken en zich, zonder geldelijke belooning, daartoe bereid verklarende, van den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid vergunning hebben verkregen tot het geven van zoodanig onderwijs.

(2) Vrijgesteld van het bezit van een der bewijzen van bekwaamheid, bij art. 5 bedoeld, is hij, die voor het vak of de vakken, waarin hij onderwijs geeft, bevoegd is ingevolge het koninklijk besluit van 2 Augustus 1815 No. 14, de wet van 18 April 1876 (Ned. Stbl. No. 102) of de wet van 2 Mei 1863, (Ned. Staatsblad No 50).

Art. 8. enz.

Art. 9. (1) Jongelieden van beiderlei kunne mogen in de school als kweekeling worden toegelaten en aldaar behulpzaam zijn, mits zij:

a. hun vijftiende jaar ingetreden zijn en hun eenentwintigste niet volbracht hebben, of de akte, bedoeld in art 32 onder a, bezitten ;

l) Zooals deze alinea luidt cfm. Stbl. 1905 no 405,

Sluiten