Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De begrooting van den ambtenaar kan nog wijziging ondergaan, wanneer de belanghebbende de onjuistheid aantoont door eene behoorlijke aangifte. In dat geval bedraagt de verhooging een vierde van het definitief vastgestelde bedrag van het recht.

(3) Ingeval geen recht verschuldigd is, wordt voor elke ingegane maand van verzuim na de gerechtelijke sommatie door iederen nalatige eene boete verbeurd van f 5—(vijf gulden) tot een maximum van f 50— (vijftig gulden). Deze boete is echter niet verschuldigd, wanneer eene verklaring van onvermogen, overeenkomstig artikel 24, is afgegeven.

(4) De voorgaande bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing, wanneer de verplichting tot aangifte op eene Weeskamer rust.

ART. 35. enz.

ART. 36. (1) Zij, die zaken of waarden onder zich hebben met de opdracht om die bij het overlijden van een ingezetene van Nederlandsch-Indië niet in den boedel te brengen of daarmede zoo te handelen, dat zij niet in den boedel komen, zijn verplicht eene schriftelijke memorie in te leveren, behelzende : den naam en de voornamen van den overledene, diens laatste woonplaats, eene specifieke omschrijving van de zaken of waarden, den titel, waaronder zij de zaken of waarden onder zich hebben en eene nauwkeurige aanwijzing van de bestemming der zaken of waarden. Deze memorie moet worden ingeleverd ten kantore van den ambtenaar van de rechten van successie en van overgang, in wiens kring de overledene zijne laatste woonplaats had, binnen zes weken — of, indien de in den aanvang van dit artikel bedoeide personen zich buiten Nederlandsch-Indi'é bevinden, binnen vier maanden —■ na de dagteekening van eene, hun door dien ambtenaar onder aangeteekend couvert toe te zenden kennisgeving, met last om aan hunne verplichting te voldoen en in elk geval vóórdat de tot de aangifte geroepenen de zaken of waarden uit handen geven of op eene andere wijze aan de opdracht gevolg geven.

(2) Ds in het eerste lid genoemde ambtenaar is bevoegd den inhoud dezer memorie aan de erfgenamen van den overledene en aan den uitvoerder van den uitersten wil, zoo deze aangifte gedaan heeft, mede te deelen.

(3) Bij niet-inlevering der memorie binnen den gemelden termijn en bij onvolledigheid of onnauwkeurigheid der memorie zijn zij, die tot het inleveren verplicht zijn, hoofdelijk aansprakelijk,

Sluiten