Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 14. (1). De manometer moet de drukking van den stoom duidelijk en juist aangeven tot op minstens twee kilogrammen per vierkanten centimeter méér dan de grootste werkelijke drukking. waaronder de ketel mag werken.

(2) Deze grootste werkelijke drukking moet op de schaal van den manometer door een duidelijk merk aangegeven zijn.

(3) De manometer moet rechtstreeks aan den ketel verbonden en zoo geplaatst zijn, dat de stoker van zijne gewone standplaats hem duidelijk kan zien.

ART. 15. Voor landketels, met een verwarmd oppervlak van minder dan vijf vierkante meters, is één voedingstoestei. mits dit ook uit de hand kan gedreven worden, voldoende.

ART. 16. Elke voedingspijp moet, zoo dicht mogelijk bij den ketel, voorzien zijn van eene bronzen klepkast: tusschen de klepkast en den ketel moet een bronzen kraan of afsluiter en tusschen afsluiter en zelfsluitende klep een proefkraantje aangebracht zijn.

ART. 17. Pakkingkranen, met een doorlaatopening van meer dan 30 millimeter, moeten voorzien zijn van een borg cm het wegslingeren van de plug te beletten, ingeval de pakkingboutèn mochten breken.

ART. 18. Het merk van den laagsten geoorloofden waterstand moet aan of nabij het peilglastoestel zijn aangebracht.

bij landketels minstens 10 centimeter boven het hoogste punt, dat met de verbrandingsprodukten in aanraking komt;

bij scheepsketels minstens 15 centimeter boven dat punt.

ART. 19. (1) Indien waterpeilglastoestel en proefkranen op een gemeenschappelijke buis zijn aangebracht, dan moet de inwendige middellijn, zoowel van deze buis als van de verbindingspijpen met den ketel, minstens 50 millimeter bedragen, zijn zij afzonderlijk met den ketel verbonden, dan moet ce inwendige middellijn der verbindingspijpen minstens 3j millimeter zijn. De verbindingspijpen moeten zooveel mogelijk recht wezen.

(2) De waterpeilgkstoestellen moeten voorzien zijn van bronzen afsluit- en doorblaaskranen of kleppen; de openingen dezer kranen of kleppen moeten eene middellijn hebben van minstens 6 millimeter; zij moeten onder stoom doorgestoken kunnen worden.

(3) Ketels, die voor en achter gestookt worden, moeten op elke stookplaats van een waterpeilglastoestel en twee proefkraantjes of van twee waterpeilglastoestellen zijn voorzien.

Sluiten