Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 3. De schriftelijke vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië, te verleenen op Java en Madoera door den Gouverneur-Generaal, elders door den hoogsten gewestelijken gezaghebber, wordt door den belanghebbende aangevraagd door tusschenkomst van het Hoofd van het gewest, of van het Hoofd van bestuur der afdeeling, waar binnen de plaats gelegen is, waar hij is aangekomen of voorloopig verblijf houdt.

De verzoeker moet doen blijken genoegzame middelen van bestaan te bezitten, of door werkzaamheid te kunnen verkrijgen.

Bij weigering der gevraagde vergunning tot vestiging of inwoning, geeft de hoogste gewestelijke gezaghebber van die weigering aan den Gouverneur-Generaal, deze laatste aan den Minister van Koloniën kennis.

ART. 4. Die, geen ingezetene van Nederlandsch-Indië zijnde, zonder toelatingskaart, of na den daarbij bepaalden termijn in Nederlandsch-Indië wordt aangetroffen, en niet reeds eene zoodanige kaart of eene vergunning tot vestiging of inwoning in Nederlandsch-Indië heeft aangevraagd, alsmede hij, wien de vergunning tot vestiging of inwoning is geweigerd, of wiens toelatingskaart is ingetrokken, wordt door het Hoofd van gewestelijk bestuur mondeling gelast Nederlandsch-Indië te verlaten, binnen een telkens bij den last tot vertrek te bepalen termijn. Na verloop van dien termijn wordt hij door de openbare macht, op een met redenen omkleed bevel van het Hoofd van gewestelijk bestuur, op de minst kostbare wijze uit NederlandschIndië verwijderd.

Hij is aansprakelijk voor de kosten der verwijdering.

Het bevel tot verwijdering wordt in afschrift aan den Directeur van Justitie medegedeeld.

Oostersche vreemdelingen, die in de termen vallen van de eerste zinsnede van de le al. van dit artikel, en afkomstig zijn van een niet door de zee van ons gebied gescheiden grensgebied eener vreemde Mogendheid, kunnen, wanneer zij door overschrijding van de landgrens ons gebied hebben betreden, in afwijking van het bepaalde in het le lid van dit artikel, op last van het betrokken Hoofd van gewestelijk bestuur, zonder vorm van proces, worden aangehouden en over de grenzen gebracht, tenzij het vermoeden bestaat, dat zij zich in het vreemde gebied aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt. 1)

ART. 5. Tot de uitvaardiging van het bevel van verwijdering, bedoeld in de tweede zinsnede van het eerste lid van

1) Zooals art. 4 luidt cfm. Stbl. 1905 no. 362 en 489.

Sluiten