Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11e. Voor het in gang zetten van een krachtwerktuig moet steeds een sein worden gegeven, dat duidelijk waarneembaar is overal, waar door dat krachtwerktuig drijfwerk of werktuigen worden gedreven.

12e. Het smeren van drijfwerk en het opleggen der riemen moeten, waar zulks gevaar kan opleveren, bij stilstand geschieden, tenzij de aard van het bedrijf dit niet toelaat, in welk geval het smeren zoodanig moet kunnen geschieden, dat het, bij inachtneming der gewone voorzichtigheid, weinig of geen gevaar oplevert.

13e. Krachtwerktuigen, waarvan de kruk over het doode punt moet worden gebracht om ze in gang te kunnen zetten, moeten zoodanig zijn ingericht, dat het verzetten van het vliegwiel zonder gevaar kan geschieden.

14e. De gemeenschappelijke stoom-, spui-en voedingsleidingen van meerdere stoomketels moeten, wanneer een of meer dier ketels worden schoongemaakt of hersteld, terwijl de overige in gebruik zijn, geheel van de schoon te maken of te herstellen ketels worden afgekoppeld, dan wel daarvan worden afgesloten door eene, tusschen afsluiter en ketel aan te brengen, blinde flens.

15e. In fabrieken en werkplaatsen moeten doelmatige middelen voor eerste hulp bij ongevallen aanwezig zijn.

16e. De werktuigen en toestellen, die electrisch arbeidsvermogen voortbrengen of voor het gebruik geschikt maken, moeten doelmatig zijn opgesteld en zoodanig onderhouden worden, dat gevaarlijke vuur- of lichtverschijnselen zooveel mogelijk worden vermeden.

17e. De hulpmiddelen, waardoor het electrisch arbeidsvermogen naar de verbruikstoestellen wordt overgebracht en over deze laatste wordt verdeeld, moeten doelmatig zijn samengesteld, ingericht en opgesteld.

18e. Het gebruik van blanke geleidraden voor electrische stroomen, waar zulks gevaar zou kunnen opleveren, is verboden.

19e. De isolatie der blanke en der omkleede geleidraden, de afstand van deze tot wanden, zoowel buiten als binnen gebouwen, de hoogte boven den grond en de onderlinge afstand dier draden moet voldoende zijn; de doorsnede der geleidraden moet, in verband met de sterkte der stroomen, voldoende zijn om .gevaren te voorkomen; de bovengrondsche geleidraden, voor

Sluiten