Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ART. 420. (1) Het personenvervoer in den direct aan den kabel hangenden lastbak (emmer, ton enz.) is verboden, behoudens in noodzakelijke gevallen.

(2) Indien een concessionaris het personenvervoer door middel van kooi aan kabel wil doen geschieden, wordt door hem of zijn vertegenwoordiger daartoe vooraf het verzoek gedaan aan den chef der mijninspectie, onder overlegging van eene ingevulde vragenlijst, opgemaakt volgens het aan deze ordonnantie gehecht model Lett. A. en van de in dat model omschreven teekeningen.

(3) Ten aanzien van dit vervoer is verder van toepassing het bepaalde bij het tweede, derde en vierde lid van art. 413. De vereischte toestemming wordt verleend in den vorm en op voorwaarden, als aangegeven in het aan deze ordonnantie gehecht model Lett. B. en overigens met inachtneming van het bepaalde in art. 421.

(4) Geen personenvervoer in kooi aan kabel mag plaats hebben, dan nadat daartoe de vereischte toestemming is verleend en alleen met inachtneming van de daarbij gestelde voorwaarden.

Worden die voorwaarden niet in acht genomen, dan kan de verleende toestemming door den chef der mijninspectie worden ingetrokken.

(5) Voor het inrichten in mijnputten van andere middelen tot personenvervoer met machinale hulp en voor zoodanige middelen, waarbij wel van kooi aan kabel wordt gebruik gemaakt, maar de inrichting eene andere is dan de algemeen voorkomende, gelden mede het tweede, derde en vierde lid van dit artikel, behoudens dat eene in verband met de omstandigheden door den chef der mijninspectie in te richten vragenlijst, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, door hem na ontvangst van het verzoek van den concessionaris of diens vertegenwoordiger aan dezen wordt toegezonden en dat voor de vereischte toestemming het model Lett. B niet behoeft te worden gevolgd.

(6) Indien de chef der mijninspectie de vereischte toestemming, bedoeld in het derde en vijfde lid van dit artikel, weigert, is van zijne beslissing hooger beroep op de in het tweede lid van art. 363 genoemde commissie.

ART. 421. (1) Voor het personenvervoer, door middel van een der in het tweede en vijfde lid van art. 420 genoemde inrichtingen, moeten door den technischen chef van het mijnwerk vaste tijden worden aangewezen, gedurende welke geen goederenvervoer mag plaats heben. Dat personenvervoer is op andere

Sluiten