is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

DE NEDERLANDERS OP CEYLON TOT 1657.

Met de verovering en versterking van Jaffanapatnam in 1630, waren de Portugeezen meester geworden van de benedenlanden en de kust van Ceylon. Terwijl zij van Goa uit deze laatste verovering versterkten, was de nieuw opgekomen macht te Batavia meer haar aandacht gaan schenken aan de westelijke streken buiten den Archipel: eerst aan Malakka, dan ook aan de westkust van Voor-Indië, om er de oude concurrenten te verdrijven. In 1636 zeilde de eerste der vloten uit, die in volgende jaren geregeld Goa zouden blokkeer en en den Portugeezen alle mogelijke afbreuk doen.

Tot die nieuwe macht wendde zich de in zijn bergen te Kandi benarde Maharadja van Ceylon. x)

In 1638 sloot de admiraal Adam Westerwolt na zijn verovering van Batticalao met den vorst Raja Singha een verbond en handelsverdrag *) dat het fundament werd, of althans heette te zijn, voor de verhouding tusschen den koning *) en de Compagnie in de volgende jaren.

De Nederlanders toonden zich ijverige bondgenooten in het veroveren: eerst van Trinkonomale (2 Mei 1639) dan van Negombo (4 Febr. 1640) en eindelijk van Gale (13 Maart 1640). Deze laatste sterkte bleef bezet, als het ééne fort, dat volgens een nieuwe overeenkomst *) met Raja Singha aan de Compagnie was afgestaan. De Heeren te Batavia

*) Voor het volgende: Dr. W. A. van Geer, De opkomst van het nederlandsch gezag over Ceylon. Leiden, 1895.

*) Ph. Baldaeus, Nauwkeurige Beschrijvinge van Malabar en Choromandel, derzelver aangrenzende Rijken en het machtige Eyland Ceylon. Amsterdam 1672. Deel II, Ceylon, p. 56—59.

•) Raja Singha wordt nu eens betiteld met „koning", dan weer met „keizer". *) Zie beneden, p. 40.