is toegevoegd aan uw favorieten.

Rijcklof van Goens, commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld, 1653/54 en 1657/58

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regeering naar patria berichten, dat zij al vijf engelsche schepen had buitgemaakt, één bij Batavia en vier in de Golf van Perzië, welke prijzen, behalve de schepen ruim ƒ454,000 hadden opgebracht De schepen van de Compagnie hadden van de Engelschen nog geen overlast gehad. x)

De Portugeezen hadden meer te verliezen dan schepen en goederen; hun sterkten en daarmede hun trouwens dalende positie in Indië. Op 't bericht van de hernieuwde oorlogsverklaring hadden zij dan ook hun vestingen Diu en Daman voor twee jaar van „maintementos" en ammunitie, „dubbel canon en tamelycke macht van blancke coppen" voorzien. *)

In 1636 was Van Diemen, zooals wij reeds zagen, begonnen in den strijd tegen de Portugeezen op de kust van Voor-Indië geregeld de „bhare van Goa" te blokkeer en. Ieder jaar, zoo was zijn plan. moest er omstreeks September een vloot voor Goa's rivier verschijnen, om tot het intreden van den west-moesson in Md alle in- en uitgaan van schepen te beletten. Aan dien maatregel had in 1637 de nederlandsche nederzetting te Wingurla,8) eenige mijlen ten noorden van Goa, in het gebied van den koning van Visiapour gdegen, haar ontstaan te danken. Zij diende om de nieuwste berichten aangaande den toestand der Portugeezen binnen Goa te verkrijgen en inlichtingen te verschaffen over de sterkte van hun krijgsmacht en bet te verwachten „secours" uit Portugal. De omgeving van Wingurla was ruim voorzien van tarwe, rijst en vee, zoodat de blokkadevloot van daar van alle ververschingen kon worden voorzien.

In 1652 bij het hervatten van den krijg was de logie van de Compagnie, een oud steenen gebouw, door den resident Jacob Bacherach

*) Gen Miss. 19 Jan. 1654. Daarin komt ook voor het verhaal van het engelsche lacht de Zeehors, dat van Suratte naar Mocha gevaren, op het gerucht van den uitgebroken oorlog, zoo spoedig mogelijk zijn goederen zelfs onder de markt had verkocht („geklad*), om ijlings naar Suratte terug te kunnen keeren. Uit vrees voor nederlandsche schepen was het echter naar het noordelijker Cambaya gegaan, waar het jacht wel drie mijlen de rivier was opgehaald. De contanten en bagage waren uit Mocha met moorsche schepen „bedecktdyck" naar Suratte gezonden, „dat haer tot groote cleenachtlnge was streckende."

*) Gen. Miss. 24 Dec. 1652.

•) Baldaeus, Malabar, p. 71. Danvers, a. w„ U p. 262.